Teresa van de heilige Augustinus

augustus 14, 2011 in Heiligen van de Karmel by zrelviramaria

Zalige Teresa van de heilige Augustinus en 16 gezellen.
Karmelietessen-Martelaressen
van Compiègne
, Parijs (of Cambrai?), Frankrijk; † 1794.
Feest 17 juli.

De Gemeenschap van de Ongeschoeide Karmelietessen in Compiègne (Oise, Frankrijk) is gesticht in 1641, vanuit het klooster te Amiens. In zeven jaar functioneerde het Slot met de Kerk, opgedragen aan de Annunciatie. De Gemeenschap bloeide van ijver en was bekend voor zijn naleving en trouw aan de Teresiaanse spiritualiteit. De zusters genoten van de liefde en achting van de Fransen uit hun directe omgeving.

Tijdens de Franse Revolutie, weigerde de zusters echter hun karmelhabijt af te leggen. En tussen juni en september 1792, toen de ongeregeldheden toenamen, volgden alle zusters hun priorin Teresa van de Heilige Augustinus, en offerden zij zichzelf aan de Heer als een brandoffer, om de woede van God te verzachten. Zodat de goddelijke vrede, naar de wereld gebracht door Zijn geliefde Zoon, terug kon keren naar Zijn Kerk en de Franse Staat. Deze daad van toewijding, ook gedaan door twee oudere zusters die eerst bang waren bij de gedachte aan de guillotine, werd een dagelijks offer van de zusters, tot de dag van hun martelaarschap, welke twee jaar later zou plaatsvinden.

Verdreven van hun klooster op 14 september 1792, bleven de zusters hun leven voortzetten van gebed en boetedoening. Zij werden verdeeld in vier groepen, verspreid over Compiègne, maar zij bleven verenigd in liefde en in correspondentie onder het wakende oog van priorin Teresa van de Heilige Augustinus. Zij werden snel ontdekt en ontbonden door het comité van de revolutie op 24 juni 1794. Zij werden gevangen genomen en samen opgesloten in Sainte-Marie, het vroegere klooster van de Visitatie, maar toen omgevormd tot een gevangenis. Vanuit Compiègne werden er 16 zusters naar Parijs gezonden, waar zij aankwamen op 13 juli en waar zij direct werden opgesloten in de vreselijke gevangenis van Conciergerie, welke al helemaal gevuld was met priesters en andere religieuzen en veroordeelden.

De zusters waren voorbeelden van rust en sereen vertrouwen in God en tegelijkertijd, voorbeelden van totale gehechtheid aan Jezus en Zijn Kerk. Zij wisten ook hoe zij een straal van vreugde om zich heen konden verspreiden, zoals gebeurde op 16 juli, het feest van OLV van de Karmel. Eén van de 16 zusters vroeg kalm aan een gevangene met meer vrijheid om iets voor mee te schrijven: toen, gebruikmakend van verkoolde takjes, schreef zij een lied van vreugde en van verzoek, in afwachting van het martelaarschap. Zij schreef het op de melodie van de Marseillaise.

De volgende dag, tijdens een farce van een rechtszaak, kregen de zusters de kans hun moed te tonen. De 16 zusters van de Ongeschoeide Karmel werden ter dood veroordeeld door het Revolutionaire Tribunaal, voor hun trouw aan het religieuze leven, voor hun fanatisme (speciaal voor hun bijzondere devotie tot de Heilige Harten van Jezus en Maria), en voor hun verbondenheid met de gevormde autoriteiten. Toen zij werden overgedragen, in een kar, naar de Barrière du Trône voor de terechtstelling, vergezeld van de stilte van het gedrang, zongen de zusters het ‘Heer onferm U’, het ‘Salve Regina’ en het ‘Te Deum’. Bij aankomst aan de voet van het schavot, zongen zij het ‘Veni Creator’, en één voor één vernieuwde zij hun Gelofte tegenover de priorin, waarna zij onthoofd werden. De laatste die werd onthoofd was Moeder Teresa van de Heilige Augustinus, zij had haar dochters goed voorbereid op het martelaarschap en zij had zich gerealiseerd, op een geweldige manier, wat zij als laatste zou moeten zeggen: ‘Liefde zal altijd overwinnen’. ‘Wanneer iemand liefheeft, kan hij alles’.

Het martelaarschap, welke begon op 17 juli 1794, laat wederom de onverwoestbare kracht van de liefde van Christus zien.

Uit bestaande documenten en van getuigenverklaringen van de drie zusters van de Gemeenschap van Compiègne, die de vervolgingen overleefden, kunnen we een vrij aardige complete lijst maken van de 16 zusters welke ter dood zijn gebracht, met hun kloosternamen en, tussenhaakjes, wereldse namen:

Teresa van de Heilige Augustinus (Mary Magdalen Claudina Lidoine), priorin,
geboren in Parijs op 22 september 1752; 

Zuster St. Aloysius (Mary Anne Frances Brideau), sub-prioress,
geboren
 in Belfort op 7 december1751; 
Zuster Anne Mary van de Gekruisigde Jezus (Mary Anne Piedcourt),
geboren in Parijs op  9 december 1715; 

Zuster Charlotte van de Opstanding (Anne Mary Magdalen Thouret),
geboren in Mouy (Oise) op 16 september 1715; 

Zuster Euphrasia van de Onbevlekte Ontvangenis (Mary Claudia Cypriana Brard),
geboren in Bourth (Eure) op 12 mei 1736; 

Zuster Henrietta van Jezus (Mary Frances de Croissy),
geboren in Parijs op 18
 juni 1745; 
Zuster Teresa van het Hart van Maria (Mary Anne Hanisset),
geboren in Rheims (Marne) op 18 januari 1742; 

Zuster Teresa van de Heilige Ignatius (Mary Gabriëlla Trezel),
geboren in Compiègne op 4 april 1743; 

Zuster Julia Louise van Jezus (Rose Christiana de Neuville),
geboren in Evreux (Eure) op 30 december 1741; 

Zuster Mary Henrietta van de Voorzienigheid (Mary Annette Peiras),
geboren in Cajarc (Lot) op 16 juni 1760; 

Zuster Constance (Mary Genevieve Meunier), novice,
geboren in Saint-Denis (Seine) op 28 mei 1765; 

Zuster Mary van de Heilige Geest (Angelica Roussel), lekenzuster,
geboren in Fresne-Mazancourt (Somme) op 3 augustus 1742; 

Zuster van de Heilige Martha (Mary Dufour), lekenzuster,
geboren in Bannes (Sarthe) op  2 oktober 1741; 

Zuster van de Heilige Franciscus Xavier (Elizabeth Julietta Verelot), lekenzuster,
geboren in Lignieres (Aube) op 13 januari 1764; 

Zuster Catherine Soiron, buitenzuster,
geboren in Compiègne op 2 februari 1742; 

Zuster Teresa Soiron, buitenzuster,
geboren in Compiègne op 23 januari 1748.

De lichamen van de 16 martelaressen werden in een gemeenschappelijk graf begraven, samen met de lichamen van andere veroordeelden, een plaats wat later de begraafplaats van Picpus werd, en waar een steen getuige is van hun martelaarschap. Delen van hun kleding, welke in de wasserij van de Conciergerie waren gebleven toen zij terechtgesteld werden, werden bewaard en twee of drie dagen later aan de Engelse Benedictinessen van Cambrai gegeven, welke ook gevangen zaten, maar later vrij gelaten werden. Deze dierbare kledingstukken worden tot aan de dag van vandaag in de Abdij van de Benedictinessen van Stanbrook, Engeland bewaard. Andere dierbare relieken en geschriften van de martelaressen zijn: brieven, gedichten en aantekeningen. Deze werden op schrift gezet, samen met andere documentatie van grote waarden, door Vader Bruno van Jezus Maria, in zijn grote werk ‘Le sang du Carmel ou la veritable passion des seise Carmelites de Compiègne’, Paris 1954

De martelaressen werden Zalig verklaard door Paus Pius X op 13 mei 1906
Gedachtenis 17 juli