Zuster Maria Gratia, novice

Een roepingsverhaal is eigenlijk nooit alleen maar een stuk van het levensverhaal van deze of gene, dat van zijn of haar weg naar het klooster of naar het priesterseminarie spreekt. Het is veel meer de levensweg van iemand die zich bijzonder tot God geroepen voelt, en deze weg met Hem wil gaan als kloosterling of als priester. Want God is altijd aan het werk in ons leven, zelfs wanneer wij dat zelf niet direct merken. Zo groeit het bewustzijn van een roeping vaak ook door de omstandigheden en de mensen om ons heen met wie wij leven. Zelfs bij iemand die voorheen helemaal geen praktiserend katholiek leven heeft geleid, laat staan over een roeping tot het religieus leven heeft nagedacht, zoals ik. Ondanks het feit dat het religieuze aspect in ons gezinsleven (en daarmee ook in mijn leven) met de jaren steeds meer verwaterde, had ik nog wel geloof in God, al sprak ik bijna nooit met, of over Hem. Dit was meer een innerlijk, haast onbewust iets, wat pas weer wakker geschud werd toen ik op 17/18 jarige leeftijd ernstig ziek werd.

Na een vakantie in de Brabantse bossen werd ik ziek, zo ziek, dat ik mijn studie op moest geven, bijna de hele dag op de bank of op bed lag, en een rolstoel voor buitenshuis nodig had. De artsen die me onderzochten konden geen verklaring geven van wat er aan de hand was. Daarom luidde de uiteindelijke uitslag: “ME/CVS, we kunnen je niet verder helpen”. Ik zocht mijn heil zo nu en dan bij alternatieve geneeskunde, wat soms een beetje hielp, maar nooit echt veel. In deze tijd, waar ik op bed liggend vaak niets meer kon doen dan nadenken, begon ik mezelf vragen te stellen. Waarom was ik zo ziek, waarom liet God dit toe? Was het een straf van God die ik moest dragen, had Hij zo`n hekel aan me? Ik werd ook boos op Hem, omdat Hij mijn ellende, en de ellende in de wereld maar niet veranderde. Ik besloot dat ik geen zin meer had in zo`n God te geloven!

Van een oom had ik een Maria beeldje uit Lourdes geërfd. Dit beeldje had ik altijd op mijn kamer staan, al schonk ik er nooit bijzonder veel aandacht aan. Hoe geloven een genade is, een geschenk, en niet iets wat wij zelf kunnen beïnvloeden, wordt wel bewezen door wat er toen gebeurde. Diezelfde avond dat ik besloot geen zin meer te hebben om in God te geloven, keek ik naar het Maria beeldje uit Lourdes, en realiseerde tot mijn verbazing, dat ik nog steeds in God geloofde! Het was alsof er toen een schakelaar werd omgezet. Vanaf dat moment veranderden mijn vragen, mijn boosheid, in een verlangen Hem te leren kennen. Een oude kinderbijbel en het internet waren de eerste stappen die ik nam. Ook begon ik weer te bidden. In mijn eigen woorden sprak ik met God de Vader over wat me bezig hield en wat ik me afvroeg. Vaak kreeg ik op wonderbaarlijke wijze antwoord. Zoals toen ik via het internet hoorde van een katholieke jongerengroep bij mij in de buurt. Mijn moeder, die wel wat meekreeg van mijn zoektocht, maar nog niet wist hoe groot de plaats al was die het geloof in mijn leven begon in te nemen, bracht me naar de eerste avond (en nog velen die er zouden volgen). Ik ontmoette er vooral jongeren die al vanaf hun jeugd met het katholieke geloof waren opgegroeid, maar geen van hen keek mij vreemd aan, al kon ik het Onze Vader en Wees Gegroet niet uit mijn hoofd meebidden. Ik kon nu in gesprek komen met andere jongeren en de pastoor, en zij hebben voor een groot deel bijgedragen aan de terugkeer van dit haast verloren schaap tot de grote kudde van de Katholieke Kerk.

Via de jongerengroep kwam ik in contact met zusters en paters van een actieve en nog relatief jonge congregatie. Wij bezochten de zusters in hun klooster, dicht bij ons in de buurt. In deze tijd was er in mijn hart al een stil, nog haast onbewust verlangen wat ik nog in geen woorden kon benoemen. Een soort verliefdheid, die nog sluimerend was. Hier maakte ik voor de allereerste keer de Aanbidding van het Heilig Sacrament en de Vespers (=kerkelijk avondgebed) mee. Ik had geen idee van wat (beter gezegd: wie) ik zag in de Monstrans, maar ondanks dat, maakte het toch indruk en voelde ik me hier thuis. De bijeenkomsten van de jongerengroep waren voor mij zo waardevol, dat ik er de terugslagen die er doorgaans op volgden, graag voor over had. Naar de kerk kon ik zelfstandig nog niet, dus ik keek de Heilige Mis op de televisie, en soms kreeg ik mijn moeder zelfs zover dat ze met mij mee ging naar de Kerk. Soms nam iemand van de jongerengroep of de zusters me ook mee.

Via de jongerengroep hoorde ik van een retraite voor vrouwen die bij de zusters gehouden zou gaan worden. Ik had meteen interesse: “alles om God beter te leren kennen”. Ik informeerde bij de zusters of het mogelijk zou zijn om mee te doen, ondanks mijn dieet en weinig krachten. De overste was heel lief, en verzekerde me, dat het zou gaan. Eén van de zusters zou voor mijn eten zorgen, er was een gehandicaptenkamer en ook een lift in huis. Zo ging ik dan voor de allereerste keer in mijn leven in retraite. Het was een verkorte vorm van Ignatiaanse retraite, die mijn leven voorgoed zou veranderen. Al bijna meteen liet mijn ziekte ook hier niet toe, dat ik mijn kamer en bed al kon verlaten. Ik werd zo ziek en had zoveel pijn, dat de overste vroeg of ik naar huis wilde, maar ik zei, dat als het voor hen niet te lastig was, ik toch graag zou blijven. Er hing een bijzondere sfeer, die me zoveel goed deed. Dit zag zij ook en ze was ook van mening dat het goed zou zijn te blijven, als ik dit zelf echt wilde. De stilte, het belletje voor de volgende voordracht/gebedstijd, en… mijn strijd met God. Wat heb ik innerlijk gevochten in die dagen! Maar de zusters, vooral de overste, en de priester hebben me geholpen. In gesprek met hen, stelde ik veel vragen: over het habijt, over de ring die ze droeg, over de sluier (en wat eronder zit). Ze beantwoordde deze vragen met veel geduld en goedheid. Ook spraken we over diepere dingen; over het lijden, over Jezus, over het sacrament van de biecht.

De priester bracht me de heilige Communie op bed, en ook hoorde hij er mijn eerste biecht. Wat was dat bijzonder! Wat heb ik daarna een vrede en vreugde gevoeld, en ook met de priester heb ik goed kunnen praten. Zowel hij als de overste hielpen me het ziek zijn (het lijden) beter te kunnen aanvaarden, en er anders tegenaan te kijken. Het samen met Jezus te dragen, in plaats van er alleen mee te blijven worstelen. Hiermee was nog niet alles opeens goed en mooi, maar wel draaglijker. Na de retraite begonnen de eerste veranderingen in mijn leven. Het contact met God werd steeds persoonlijker en intensiever, het geloof kreeg een steeds belangrijkere plaats in mijn leven. Ik bad de rozenkrans, ik las nog meer in de Bijbel, was actief op katholieke internetsites, en natuurlijk was ik nog steeds bij de jongerengroep. Mijn ouders kregen hier nu ook steeds meer van mee, begrepen het niet zo goed, maar lieten me mijn gang gaan, omdat ze merkten dat het belangrijk voor me was.

Ik was intussen bij een nieuwe arts, en deze stelde een andere diagnose: de ziekte van Lyme (Borreliose). Dit is met antibioticakuren te behandelen, maar na zoveel jaren ziekte bleek dat nog niet zo eenvoudig. Maar door de juiste behandeling die ik nu kreeg, werd mijn gezondheid telkens een beetje beter, en meer stabiel. Steeds vaker kon ik nu zelfstandig dingen ondernemen. De eerste keer dat ik alleen naar de kerk ging, was een overwinning! Vanaf toen ging ik elke zondag. Al gauw werd het verlangen om vaker naar de heilige Mis te gaan en de heilige Communie te ontvangen, zo groot, dat ik ook andere dagen in de week ging. Ik voelde een verliefdheid voor Jezus, maar dacht bij mezelf, dat dit niet kon. Je kunt toch niet verliefd zijn op God? Tot ik in een heiligenbiografie datzelfde las: “ze was verliefd op God”. Het kan dus toch!

Ik knapte zo snel op, dat zelfs de dokter er versteld van stond. Ik kon al gauw weer fietsen en ging regelmatig naar de Aanbidding en de Vespers bij de zusters, de Heilige Mis, biechten, of boodschappen doen. Met de overste van het klooster en de priester, die intussen mijn biechtvader en geestelijk leidsman was, heb ik toen veel goede gesprekken gehad. Ik vertelde de overste van de gedachte die ik sinds de retraite steeds sterker had: het klooster in gaan. Maar hoe zou dit mogelijk zijn, met mijn ziekte? Ze stond er nuchter en positief tegenover: “als je in het klooster bent, kun je ook ziek worden, als je echt roeping hebt, vindt God wel een weg”. Ze had me een boek cadeau gedaan van de kleine Thérèse van Lisieux, wat ik met veel interesse las, al begreep ik niet alles wat erin stond. Ook ontving ik er het scapulier, waarvan ik de betekenis uitgelegd kreeg, hetgeen me met meer liefde voor Maria vervulde.

Mijn ouders vertelde ik niets over mijn stille verlangen ook zuster te worden, maar ze merkten dat ik steeds vaker naar de zusters ging (ik bleef er ook vaak logeren) en elke dag naar de Heilige Mis ging. Ze begonnen iets te vermoeden, maar ik had zelf nog geen duidelijkheid, dus kon op hun vragen ook nog geen antwoord geven. Ik wist ook niet of ik echt de roepstem van Jezus hoorde, of dat ik me iets inbeeldde. Ik vroeg me af of ik bij deze zusters in wilde treden, of ergens anders. Hiermee worstelde ik ook weer een aantal maanden, tot ik bij de Aanbidding innerlijk merkte dat het toch Jezus uitnodiging was, en ik antwoordde hierop met een ja. Ik was ervan overtuigd dat ik bij deze zusters moest zijn, die als apostolaat hebben: “de re-evangelisatie van de cultuur”. Wat wilde ik graag de mensen weer bij Jezus brengen, die Hem uit het oog verloren zijn. Dat, wat mij geschonken was, het terugvinden van mijn geloof, wilde ik dolgraag doorgeven! Het leek me overduidelijk dat ik bij deze actieve congregatie moest zijn. Ik sprak met de overste, en ook de generaal overste, die zich beiden vrij neutraal opstelden. Door mijn lange ziekte, vonden ze dat ik eerst wat meer levenservaring op moest doen, en misschien ook nog over andere congregaties moest nadenken. Ik bleef intensief met hen in contact, en ging zelfs 2 weken in het noviciaat kijken, hoe het er daar aan toe ging. Ik bleef bij mijn overtuiging, maar ondanks dat ik gezegd had dat ik graag in wilde treden, kwam er van de kant van de zusters nog geen uitnodiging, ondanks dat het intensieve contact er wel nog steeds was.

Toen ontmoette ik op een jongerendag één van de zusters van de Carmel D.C.J. De Carmel had ik via het boek van de kleine Thérèse en het scapulier wel leren kennen, maar had me er niet bewust mee bezig gehouden; ik hoorde immers bij de actieve zusters. Toch interesseerde ik me altijd voor andere ordes en congregaties, en vond het leuk ook wat meer over andere zusters te horen. Ik ging regelmatig naar een stille dag of weekend, dus toen er een uitnodiging van de zuster van de Carmel D.C.J. kwam voor een “roepingenweekend” in Sittard, meldde ik me direct aan. Op één van deze dagen was er “een dagje kloosterleven”. We mochten met de zusters meebidden in het oratorium, en ik werd erdoor getroffen. Niet alles ging, zoals ik het bij de andere zusters gewend was, maar ik liet het op zijn beloop. Ik was hier immers maar voor een weekend!

Het roepingenweekend maakte indruk: de gesprekken, het dagje klooster, de zaterdagochtend met een zuster bij de kinderen, het roepingsverhaal van een oude zuster en het meebidden met de zusters. Vele kleine en grotere dingen lieten me niet meer los. Als ik dan weer bij “mijn zusters” was, miste ik die dingen zelfs een beetje. Toch bleef ik ervan overtuigd, dat daar mijn roeping was, en niet in de Carmel D.C.J. Nee, dat was niks voor mij, daar was het toch wel heel anders, in vergelijking met wat ik gewend was bij “mijn zusters”.

Er verliep zo weer geruime tijd, tot ik weer een uitnodiging kreeg van een roepingenweekend in de Carmel D.C.J. Dit keer in Vogelenzang. Ik vond het de vorige keer erg leuk, dus meldde ik me weer aan. Dit werd een weekend om nooit te vergeten. Een weekend waarin het stormde (in mijn innerlijk dus), en die mijn overtuiging flink overhoop gooide. Eigenlijk begon het toen te knagen, ik had al twijfels. Want ik merkte dat de zusters waar ik in wilde treden mijn bootje nog steeds afhielden, waarbij ik me toch afvroeg of deze congregatie wel bij mij paste. Een gesprek met één van de zusters van onze Carmel, had me ook aan het denken gezet.

Na dit tweede roepingenweekend, werden deze gevoelens en gedachten alleen maar sterker, en ik wendde me tot de Heilige Jozef om uitkomst op mijn vragen. Ergens begon steeds sterker het gevoel te komen, dat ik niet bij deze congregatie moest zijn. Uiteindelijk wist ik het ook zeker: daar was niet mijn plaats. Maar waar dan wel? De Carmel trok me nog steeds niet aan, hoewel ik er toch elke keer, het leek soms haast wel tegen wil en dank, terug kwam of contact via email hield. Ik had intussen een baantje als “gastvrouw” bij demente bejaarden in het bejaardenhuis, en probeerde zo mijn leven weer een beetje een “normaal” ritme te geven. Maar ondanks dat, en dat ik steeds actiever werd bij Katholieke evenementen, het koor en de jongerengroep, bleef mijn roeping aan mij knagen. Het liet me eenvoudig weg niet los.

Tot ik in 2007 bij de zusters waar ik de eerste keer mijn retraite had gedaan, weer in retraite ging. Ook dit keer was het een verkorte vorm van Ignatiaanse retraite. Hier werd steeds duidelijker, wat God van me wilde. Dat, wat ik zelf diep in mijn hart ook wel wist, maar steeds tegen had gevochten. Aan het einde van de retraite was het voor mij duidelijk: ik moest naar de Carmel D.C.J.! Thuisgekomen mailde ik direct, of het mogelijk was dat ik kandidate kon worden, en wachtte in grote spanning het antwoord af… Het “fiat” kwam. Mijn ouders had ik toen ik in het noviciaat van de andere zusters een kijkje was gaan nemen verteld dat ik eraan dacht in te treden. Dit namen ze niet met al te grote vreugde op, maar ze zagen dat hoe meer tijd er verstreek, ik er des te intensiever mee bezig was, zelfs zo dat er echt geen stoppen aan was. Ook merkten ze hoe ik nu steeds vaker naar de Carmel D.C.J. ging, en was het daarom voor hen geen grote verrassing toen ik vertelde dat ik er kandidate geworden was. Allereerst nog in de wereld levend, met intensief contact en veel weekenden in de Carmel, naderhand kreeg ik een intreed datum: 1 september 2007.

Ook de zusters bij wie ik vroeger in wilde treden, mijn familie, vrienden, vertelde ik dit nieuws. Het werd met gemengde gevoelens opgenomen, de reacties waren zeer uiteenlopend. Maar gelukkig waren de meeste mensen eenvoudig weg blij voor me, dat ik mijn plek had gevonden en dat ik me zo gelukkig voelde. Ze gunden me dit van harte. De voorbereidingen werden dus getroffen, en 1 september was de grote dag. Op 8 December was de start van mijn postulaat. Ik voelde me hier thuis. Hoe langer ik er was, hoe meer. Maar toch zou ik er niet langer dan 9 maanden blijven, voor ik mijn weg terug vond naar mijn ouders, terug de wereld weer in. Met tranen heb ik afscheid genomen, omdat ik dacht dat ik nooit weer terug zou kunnen keren, maar Gods wegen zijn werkelijk niet te doorgronden, en de redenen waarom de dingen zo lopen als ze gaan, zijn voor ons meestal onbegrijpelijk. Pas achteraf zien we dan in, dat het goed is geweest, zoals het was.

Weer thuis had ik eerst tijd nodig om mijn draai weer te vinden, maar God liet me niet los. Zoals voorheen, ging ik weer elke dag naar de Heilige Mis, wat heel moeilijk was omdat de reacties ook nu uiteenlopend waren. Gelukkig namen de meeste mensen me met liefde weer in hun midden op. Ik vond een baantje in een kringloopwinkel, en was actief met vrienden die graag bedevaarten maakten. Toch bleef ik een leegte voelen, en bleef het klooster me trekken. Ik hield ook nog steeds goed contact, maar bleef er nooit langer als een middag op bezoek. Om er te logeren, kreeg ik nog niet over mijn hart. De tijd verliep, en het verlangen naar het klooster en het contact met de zusters bleef. De zusters hadden ook door laten schemeren dat ze mij eigenlijk ook misten. Na overleg werd er uiteindelijk besloten, dat ik weer in zou mogen treden, en zo werd het contact weer steeds intensiever, en bleef ik er weer steeds vaker logeren. Ook mijn tijd buiten het klooster duurde 9 maanden, tot op 18 Maart 2009 (op de vooravond van het HF van de H. Jozef) voor mij de tweede keer was, dat ik intrad in onze Carmel. Deze keer direct als postulant.

Op 10 februari 2010 ben ik naar Duitsland verhuisd, op 1 juli 2010 is het Noviciaat begonnen.

Zo is mijn weg naar onze Carmel over de jaren gelopen. Toch betekent dit niet, dat mijn roepingsverhaal daarmee ten einde is. Het gaat nog verder, zolang ik leef, omdat God elke dag weer roept, en ik elke dag opnieuw een antwoord moet geven. Elke dag roept hij me als Karmelietes van het Goddelijk Hart van Jezus; in mijn apostolische taken, mijn werk en gebed, de nieuwe en oude taken, het leed en de vreugde van alledag. Het is een roep van liefde, die ik met liefde wil beantwoorden.

Zuster Maria Gratia, novice

Terug naar Roepingsverhalen