Zuster Elvira Maria

Toen ik ongeveer drie jaar was, nam mijn vader mij eens mee en gingen we een groot gebouw binnen, tenminste, er was een zijdeur met een kleine ruimte aan het gebouw. Het rook er vreemd, maar wel lekker. Het was er een beetje donker, maar niet zo erg. Er was daar een beeld waar heel veel kaarsjes bij stonden. Ik mocht ook zo’n kaarsje aansteken, mijn vader vertelde dat zij Maria heette en dat hij mij hier had laten dopen.

Ik snapte er allemaal niet zo veel van, maar voelde dat het blijkbaar bijzonder was. De eerst volgende keer dat ik zo’n beeld terug zag was in de week dat ik mijn eerste communie mocht doen. We kwamen dus nooit in de kerk, maar de geur is mij blijkbaar altijd bijgebleven. Af en toe bezocht ik met mijn vader het graf van mijn oma. Hij vertelde dat je naar God ging als je dood was en dat Hij dan voor je zou zorgen. Doodgaan werd voor mij iets van vrede vinden, geborgenheid en rust. Ik nam aan dat het bij God veilig was en begon vanaf dat ogenblik met God te praten. Ik vertelde Hem werkelijk alles.

Op school kwam er, in de zesde klas, iedere week een godsdienstleraar en ik genoot van de lessen. Hij vertelde over Jezus en ik hoorde de verhalen uit de Bijbel. Ik kwam na de les eens aan de praat met de leraar en hij schreef een versje in mijn poëziealbum. Het gedichtje begon met de woorden: ‘wij zijn allemaal kinderen van één Vader.’ Ik moest erom huilen en vroeg hem wie die ene Vader eigenlijk was en waarom Hij niet voor mij zorgde. “Ga je wel eens naar de kerk?” vroeg hij. “Nee, de eerste en laatste keer was bij mijn eerste communie.” Waarop hij zei: “Je bent dus katholiek.” De week er na zei hij dat er op zondag een mis was in die en die kerk. Die zondagmorgen ging ik voor het eerst alleen op zoek naar Jezus.

Het werd een groot geheim, want mijn vader moest niets hebben van de kerk en alles wat er bij hoorde. Ik snapte niets van de mis, maar genoot toch. Ik herinnerde mijn eerste communie nog wel en zag dat het mooi was om ter communie te gaan, maar na eens goed nagedacht te hebben vond ik dat ik dat maar niet moest doen, ik was er immers stiekem. Een keer wilde ik het toch graag doen, maar na afloop was het binnen in mijzelf niet zo rustig als ervoor en ik nam aan dat het verkeerd was. Ik liet de communie dus voor wat het was en liet alles over mij heen komen. Een keer hingen er allemaal tekeningen. De priester vertelde dat Jezus veel van kinderen hield en voor hen zorgde. Deze woorden waren mij meer dan genoeg en het gaf mij vertrouwen en moed.

Vanaf nu kneep ik er ieder weekeinde op zondag tussenuit. Thuis vond ik op zolder een gehavende oude Bijbel van mijn moeder en ik begon de voor mij voornaamste verhalen op te zoeken zoals het Kerstverhaal, Paasverhaal en het Onze Vader. Het Onze Vader begon ik nu ook te bidden. Later kwam ik er achter dat ik het dus jaren verkeerd, maar niet minder gemeend, had gebeden. Ik vond in het kind Jezus een bondgenoot en vertelde hem alles!

We maken een sprong naar de tijd van mijn zang- en piano-opleiding: het zingen betekende: terugkeren tot God. Via een cursus over het kunstlied in de kerk kwam ik uit nieuwsgierigheid terecht in Haastrecht. Ik wilde het lied “La Procession” van Cesar Franck, dat tijdens de cursus behandeld was, beter begrijpen. Ik wist namelijk niet wat een processie was. In Haastrecht was er op die 18de oktober 1991 een processie en ik wilde erbij zijn. Maria greep blijkbaar in. Het heeft zo moeten zijn dat ik er juist op haar feestdag was. Ik had niets met Maria, maar deze Maria van Haastrecht betekende een keerpunt in mijn leven. Ik ontmoette God weer in die kerk en snoof de geur op die ik voor het eerst had geroken in die donkere stille kapel van Maria met de kaarsjes. De zondag erna was ik er weer. De pastoor gaf mij een gevoel van vertrouwen. Ik schreef hem een brief en met zijn hulp pakte ik de draad weer op. Hij leerde mij eigenlijk alles. Van kruisteken, wat ik als linkshandige altijd verkeerd om deed, tot Weesgegroet. Van Onze Vader tot rozenkrans en van Eucharistieviering tot Biecht Sacrament. Al pratende kwamen wij erachter dat ik niet gevormd was. Nou dat moest dan nog gebeuren. Als voorbereiding op dit mooie sacrament ging ik naar een bezinningsweekeinde. Waar? Juist, in Sittard. Het was 10 april 1992. In dit weekeinde is het eigenlijk al meteen begonnen.

Bij mij waren de eerste gevoelens van roeping te vergelijken met het moment van het uiteindelijke ‘ja’. Ik moest leren dat God is als het suizen van een zachte bries. Zo begon het ook eigenlijk; een zachte bries die mij uitnodigde en nieuwsgierig maakte. De zoektocht ja of geen roeping was spannend, maar na ervan overtuigd te zijn dat ik moest intreden hoefde het voor mij niet meer zo nodig. Ik dacht dat God met geweld werkte. Hij mij allerlei dingen zou afnemen, ontzeggen, afsluiten, ik mezelf kwijt zou raken. Het maakte me bang én opstandig. De druk en het trekken van Onze Lieve Heer aan mij ervoer ik als een mengeling van aangenaam en vreselijk. Als God je werkelijk wil hebben schudt, trekt, rukt Hij net zo lang tot je ja zegt.

Het was me al snel duidelijk: ik moest een antwoord geven en wel ‘ja’ zeggen. Maar niks ervan. Ik bleef nee zeggen en wel 6 jaar lang! Ik studeerde zang en piano aan het conservatorium, genoot van de muziek, had genoeg werk en wilde dus van mijn roeping af en probeerde met alle middelen onder mijn roeping uit te komen. Ik verzon ieder keer iets anders tot vermaak en wanhoop van mijn biechtvader en geestelijk leidsman: niet naar de mis te gaan, weg te blijven van de communie, want daarna was de roepstem veel sterker, dus weg ermee.

Dit leverde niet het juiste resultaat op. Alleen berouw. Wat dan? Mijn eerste geestelijke leidsman kwam te overlijden en ook deze gelegenheid greep ik aan door zijn opvolger te overtuigen dat ik geen enkele ambitie bezat om zuster te worden. Ik schotelde hem in een recordtijd alle tekortkomingen van mijzelf voor met de toevoeging “hoe kom ik van deze roeping af?”, maar helaas hij lachte alleen maar eens hartelijk en hielp mij snel uit de droom dat dit soort dingen niet zo werken. Hij heeft jou uitgekozen en niet andersom.

Het jaar erop na de retraite weer een vriend. Het werd ook niets ik voelde me schuldig en kreeg het zeer benauwd want hij wilde graag trouwen. Opnieuw naar de biechtvader. “Ben je nu zover dat je eindelijk ja gaat zeggen?”, vroeg hij. Maar nee. Het laatste middel was pastoraal werkster worden. Mijn biechtvader was nu echt boos: “Durf je zo met je roeping om te gaan?” Aangeslagen maar nog steeds opstandig ging ik op zo’n school praten, maar na het gesprek sprak de rector: “Jij kunt nooit pastoraal werker worden. Het is veel beter dat je intreedt ik geloof dat je echt roeping hebt.” Ja maar ik wil niet, dacht ik opstandig, maar de woorden van de biechtvader zaten me helemaal niet lekker. Wat haalde ik me op mijn nek als ik de wil van God in de wind zou slaan en mijn eigen zin zou doordrijven.

De laatste retraite voor de uiteindelijke beslissing was moeilijk en de geestelijk leidsman sprak harde woorden – “dat het mij ontbrak aan liefde, ik God niet wilde geven wat Hem toe kwam.” Eén zin viel als het ware op de goede plek: “Je weet dat je eigenlijk roeping hebt, maar als je echt niet wilt hoef je van mij niet in te treden. Maar zolang dit gevoel er blijft trouw dan nooit, want een halve non is erger dan een hele vrouw!” Ik zou, door eigenwijs mijn eigen wil te doen, ook anderen ongelukkig kunnen maken. Wat ik moest doen was al lang duidelijk; maar de overgave ontbrak. In de maanden er na vond deze groei van overgave zonder ik dat merkte blijkbaar toch plaats. Tijdens een bezoek in Sittard tussen Kerst en Nieuwjaar, om een beetje van alle concerten en muziekperikelen wat uit te rusten, sprak ik met de novicemeesteres zonder te twijfelen een datum af waarop ik zou intreden.

Nu moest ik het mijn moeder nog vertellen, want ja die zag die hele kloostergeschiedenis niet zo erg zitten. Ze was boos, maar ook zij weet diep in haar hart dat dit het beste is. Het moest ook bij haar de kans krijgen om te groeien. Het is voor iemand die intreedt een moeilijke zaak, maar voor ouders is het helemaal een onbegrijpelijk iets. Een zeker weten: Jezus wil dat ik intreed, iemand die dat zelf niet heeft snapt dat niet echt. En ouders al helemaal niet. Een ander kind is prima en prachtig. Maar ja, een eigen dochter afstaan is toch wel iets heel anders. Ze was trots op mij wanneer ze mij begeleidde naar een concert en de mensen vroegen of ze die jonge getalenteerde zangeres kende. Dan was het fijn voor haar om te kunnen zeggen: “Ja zeker, dat is mijn dochter.” Nu zo, als zuster Elvira Maria, is die glans van klatergoud verdwenen. De maanden voor de werkelijke intrede waren toch wel weer moeilijk, maar eenmaal de drempel over waren alle stress, twijfels en angsten op slag verdwenen. Dat wil niet zeggen dat er geen moeilijke ogenblikken of dagen zijn, maar iedere dag kan ik toch zeggen: “Ik ben blij dat ik er ben!”

Terug naar Roepingsverhalen