Roepingsverhalen

“Een roeping wordt als normaal ervaren, of zelfs voorspelbaar, wanneer men uit een goed katholiek gezin komt waar alles gaat zoals het moet gaan. Dan is het, bij wijze van spreken, een normaal gevolg van het nest waaruit men afkomstig is. Maar wanneer dit nou niet zo is. Wanneer er thuis zelfs niet over God gesproken wordt. Wanneer je niet vaak in de kerk bent geweest. Of zoals bij ons thuis: ze zelfs vijandig tegenover de kerk en geloof stonden. Dan schijnt, qua roepingsmogelijkheid, alles hopeloos verloren, maar ook dan kan God zelf de touwtjes in handen nemen. Vanuit een hopeloze situatie kan Hij iets moois laten groeien…” – Zuster Elvira Maria.

Elke roeping is anders, dat blijkt ook uit de diverse roepingsverhalen die her en der te lezen zijn. Hieronder vertellen drie zusters van de Karmelietessen van het Goddelijk Hart van Jezus hun roepingsverhaal.

————————————————————————————–

Zuster Elvira Maria

Toen ik ongeveer drie jaar was, nam mijn vader mij eens mee en gingen we een groot gebouw binnen, tenminste, er was een zijdeur met een kleine ruimte aan het gebouw. Het rook er vreemd, maar wel lekker. Het was er een beetje donker, maar niet zo erg. Er was daar een beeld waar heel veel kaarsjes bij stonden. Ik mocht ook zo’n kaarsje aansteken, mijn vader vertelde dat zij Maria heette en dat hij mij hier had laten dopen.

Ik snapte er allemaal niet zo veel van, maar voelde dat het blijkbaar bijzonder was. De eerst volgende keer dat ik zo’n beeld terug zag was in de week dat ik mijn eerste communie mocht doen. We kwamen dus nooit in de kerk, maar de geur is mij blijkbaar altijd bijgebleven. Af en toe bezocht ik met mijn vader het graf van mijn oma. Hij vertelde dat je naar God ging als je dood was en dat Hij dan voor je zou zorgen. Doodgaan werd voor mij iets van vrede vinden, geborgenheid en rust. Ik nam aan dat het bij God veilig was en begon vanaf dat ogenblik met God te praten. Ik vertelde Hem werkelijk alles.

Lees verder…

————————————————————————————–

Zuster M. Luca, novice

Als je het mij vraagt, was ik de laatste die door God uitgekozen zou worden. En ik denk dat, op dezelfde vraag, dit ook het antwoord zou zijn van mijn familie, vrienden en bekenden. Kerkelijk leven en ik leek een onmogelijke combinatie, laat staan een kloosterleven en ik, waarin alles draait om Jezus én Zijn kerk. Toch is het voor God mogelijk, om iets wat onmogelijk is, te maken tot geen enkele andere mogelijkheid. Want ondanks dat je vrij bent om op je roeping te antwoorden, of juist niet, Gods liefde is zo sterk dat zelfs – al ben je nog zo zwak – Hij je kan sterken, – al ben je nog zo ongelovig- Hij je kan doen geloven, en – al ben je nog zo eigenwijs – Hij je kan laten zien dat Hij de ware wijsheid is.

Al leek mijn leven prima op orde en had ik het naar mijn zin met mijn vrienden en vriendinnen, ik was altijd op zoek naar “de waarheid”. Zolang ik me kon herinneren was het leven wat ik kende voor mij niet “echt” genoeg. “Leven ontvangen – leven – leven afgeven.” Ik zocht deze waarheid overal, maar ik vond haar nergens en nooit heb ik gedacht aan de katholieke kerk of zelfs maar aan Jezus. Toen ik in Havo 4 een plek voor mijn snuffelstage zocht, en ik niets passends kon vinden kwam de eigenlijk impulsieve gedachte in me op, dat ik misschien eens moest kijken of het mogelijk was een week mee te leven in een klooster. Zusters die ik via mijn moeders werk heb leren kennen kwamen als eerst in me op. Ik vond hun leven te streng, en eigenlijk nutteloos: “leven voor iets wat niet bestaat”.

Lees verder…

————————————————————————————–

Zuster Maria Gratia, novice

Een roepingsverhaal is eigenlijk nooit alleen maar een stuk van het levensverhaal van deze of gene, dat van zijn of haar weg naar het klooster of naar het priesterseminarie spreekt. Het is veel meer de levensweg van iemand die zich bijzonder tot God geroepen voelt, en deze weg met Hem wil gaan als kloosterling of als priester. Want God is altijd aan het werk in ons leven, zelfs wanneer wij dat zelf niet direct merken. Zo groeit het bewustzijn van een roeping vaak ook door de omstandigheden en de mensen om ons heen met wie wij leven. Zelfs bij iemand die voorheen helemaal geen praktiserend katholiek leven heeft geleid, laat staan over een roeping tot het religieus leven heeft nagedacht, zoals ik. Ondanks het feit dat het religieuze aspect in ons gezinsleven (en daarmee ook in mijn leven) met de jaren steeds meer verwaterde, had ik nog wel geloof in God, al sprak ik bijna nooit met, of over Hem. Dit was meer een innerlijk, haast onbewust iets, wat pas weer wakker geschud werd toen ik op 17/18 jarige leeftijd ernstig ziek werd.

Na een vakantie in de Brabantse bossen werd ik ziek, zo ziek, dat ik mijn studie op moest geven, bijna de hele dag op de bank of op bed lag, en een rolstoel voor buitenshuis nodig had. De artsen die me onderzochten konden geen verklaring geven van wat er aan de hand was. Daarom luidde de uiteindelijke uitslag: “ME/CVS, we kunnen je niet verder helpen”. Ik zocht mijn heil zo nu en dan bij alternatieve geneeskunde, wat soms een beetje hielp, maar nooit echt veel. In deze tijd, waar ik op bed liggend vaak niets meer kon doen dan nadenken, begon ik mezelf vragen te stellen. Waarom was ik zo ziek, waarom liet God dit toe? Was het een straf van God die ik moest dragen, had Hij zo`n hekel aan me? Ik werd ook boos op Hem, omdat Hij mijn ellende, en de ellende in de wereld maar niet veranderde. Ik besloot dat ik geen zin meer had in zo`n God te geloven!

Lees verder…