Raphael van de heilige Joseph

augustus 15, 2011 in Heiligen van de Karmel by zrelviramaria

Hl. Raphael (Kalinowski) of St. Joseph, Priest (1835-1907)
Feestdag 15 November

Geboren in Vilna op 1 september 1835, in een edele familie. Joseph Kalinowski was een vrome en intelligente jongen. Na 7 jaar studie aan het Instituut van Nobelen, en een gouden mediale verdient bij zijn diplomering, ging hij naar de landbouw school van Horki voor een jaar. In 1835 ging hij naar de Academie van Militaire Ingenieurs te Petersburg. Hij sloot de studie af met de rang van luitenant in 1857, waarna hij assistent bleef van een wiskunde professor.

Na de leiding overgenomen te hebben van de militaire ingenieurs in Petersburg (1859), werd hij gezonden naar Kursk en naar Odessa, met de opdracht de planning van de spoorwegen tussen Kursk-Kiev-Odessa op zich te nemen, en daarna werd hij aangesteld op de vesting van Brest-Litowski (1860). In 1862 werd hij bevorderd tot kapitein van de generale staf. Het waren drukke jaren, maar ook van diepgaand geloof, liefdadigheid, gebed en theologie studie. Maar zijn leven als Christen was niet op een dergelijk niveau als hij later zou wensen. Zijn gezondheid maakte dat hij zich terug moest trekken op 5 mei 1863; hij ontving een aanbeveling vol lof van Alexander II van Rusland.

In dat zelfde jaar begon de opstand tegen Rusland. Kalinowski had zich al in 1862 in Brest-Litowski tegen de eerste revolutionaire bewegingen uitgesproken, en gewezen op de gevaren, daar hij niet vond dat Polen nood had aan bloed vergieten, maar nood had aan werk. Desondanks, onder druk van de gebeurtenissen en na lang gebed besloot hij, tijdens zijn aanwezigheid in Warschau, zich aan te sluiten bij de opstand. In mei trad hij toe tot de Nationale Regering en werd minister van oorlog in Lithuania, een taak welke hij aanvaarde met de uitdrukkelijke conditie dat hij niemand ter dood zou hoeven te veroordelen. In juni, in Vilna, werd één van de leiders van de opstand, Sigismund Sierakowski, opgehangen. Kalinowski, die aanwezig was, viel op zijn knieën en besloot van toen af zijn leven te wijden in dienstbaarheid aan God.

Korte tijd daarna, om middernacht tussen 25 en 26 maart 1864, werd hij gevangen genomen en vast gezet in het vroegere klooster van de Dominicanen, waar de regelmaat van het kloosterleven nog werd aangehouden. Gebed, meditatie en Eucharistie. Maar boven alles, besloot Kalinowski terug te keren naar het Sacrament van de biecht. Hij bad vaak en hij overdacht de mysteries van de Passie van Christus; maar hij had nog geen echt beeld van de toekomst. Hij dacht erover om toe te treden tot de Kapucijner Minderbroeders. Ondertussen doofde de opstand. Kalinowski gedragen door zijn eerlijkheid en uit angst geen onschuldigen te veroordelen, bekende zijn gehele rol in de opstand en hij werd veroordeeld tot de dood door de overheid van Murawiew. Een veroordeling die later werd omgezet in 10 jaar dwangarbeid in het Oosten van Siberië.
Hij vertrok naar Siberië nadat hij geestelijk gesterkt was en verzocht had om het Nieuwe Testament, het boek Job en de Psalmen, en de Navolging van Christus. Hij bereikte de zout mijnen van Usolje-Sibirskoje in 1865, en verbleef daar tot 1868, het jaar waarin amnestie verleend werd en zijn straf werd omgezet in verbanning. Hij vestigde zich in Irkutsk, dicht bij het Bajkal meer, bij de grens van Mongolië. Daar droeg hij zijn apostolaat uit, ook al was hij bedrukt door lichamelijk en moreel lijden, het verfijnde zijn geestelijk leven en zijn vereniging met God eens te meer.

Hij verliet Irkutsk in 1872, maar moest nog twee jaar blijven in het oosten van Rusland volgens de wet. Hij koos Perm, maar verliet het een jaar later vanwege zijn gezondheid die steeds slechter werd. Zijn laatste bevrijding vond plaats in 1874, maar het werd hem specifiek verboden om van Lithuania zijn woonplaats te maken. De jaren in Siberië en de verbanning waren jaren van grote genade voor Kalinowski. Iedere getuigen en zijn mede bannelingen waren unaniem in het verkondigen van het grote geduld van de dienaar van God. Zijn beschikbaarheid in dienstbaarheid, zijn liefdewerk wat hem zelf het nodige ontnam, om de zorg van anderen te verlichten. Zijn constante gebed en zijn enorme devotie tot onze lieve Vrouw. Eerwaarde Wenceslaus Novakowski, O.F.M.Cap., een mede gevangene en banneling, staat in voor de verering die een ieder had voor Kalinowski. Hij stelde zelfs voor om een speciale aanroeping in de litanie van de Heiligen toe te voegen: “Door de gebeden van Kalinowski, verhoor ons Heer!”. Het was gedurende deze lange periode dat de dienaar van God, een geboren contemplatief, besloot zich aan te sluiten bij de Ongeschoeide Karmel, zoals Kardinaal Kakowski ons verzekert.

Gedurende de tien jaar van beproeving, lijden en ellende, waarbij de thermometer soms min 45 Celsius stond, sloeg Kalinowski nooit zijn gebed over; nu, echter, trad hij weer terug in het burgerlijk leven. Zijn paspoort werd terug gegeven, en in Warschau was hij weer instaat zijn geliefden te om armen. Hier werd hij de leermeester van prins August Czartoryski, en deze taak stond hem toe de jonge man buiten Polen te begeleiden. Na een bedevaart naar Czestochowa, vertrok hij naar Parijs op 23 oktober 1874, met ‘Gucio’, de bijnaam van prins August, en daar verbleven zij in het Hotel Lambert, in het centrum, waar de Czartoryskis alle Poolse politieke vluchtelingen hielpen en bijstonden.

Het volgende jaar bleef Kalinowski de ziel van zijn Gucio vormen; ondertussen begeleide hij hem naar Menton, daarna naar Neuilly, daar de longen van de prins aangetast waren. Kalinowski vervulde de rol van vader, moeder, broer, begeleider en bewaker. En hij deed dit met de meest grootste liefde voor de jongen, altijd aan zijn zijde verblijven en met een belangstelling welke groter was dan welke familie relatie dan ook. Kalinowski begeleide Gucio op zijn reizen naar Frankrijk, Polen en Italië. Onderwees hem met woord en voorbeeld volgens een stevig en minzaam Christelijk leven. Hij nam elke mogelijke voorzorgsmaatregel om zijn grenzen te versterken, zowel deugdzaam als lichamelijk. Ondertussen, hoewel naar buiten toe alles zo gewoon mogelijk doorging, stond zijn besluit vast om alles achter te laten en zichzelf totaal aan God aan te bieden in een religieus leven.

Het was tijdens de zomer van 1876, in Davos, Zwitserland, waar hij de prins begeleide, dat Kalinowski het definitieve besluit nam om een Ongeschoeide Karmeliet te worden, na hij alle aspecten van deze stap had overwogen. Hij werd geholpen door de gebeden van prinses Witoldowa Grocholska Czartoryska, een tante van Gucio en een Ongeschoeide Karmelietes, met de kloosternaam zuster Maria Xaverius van Jezus, wonend in Krakow-Wesola.

Het volgende jaar realiseerde hij zijn besluit. En gedurende de eerste dagen van juli, 1877, verliet Kalinowski het Hotel Lambert. En op de 14e van die maand stond hij aan de voeten van de provinciaal van de Ongeschoeide Karmelieten van Oostenrijk, waaronder Polen toen viel. Hij was verdrietig over zijn scheiding met prins August, welke later Don Bosco zou ontmoeten en Salesiaan werd (1887), en zijn leven op aarde snel afsloot, 1893, met een reputatie van heiligheid.

Ondertussen, op 15 juli, werd Kalinowski direct van Linz naar Graz gezonden, waar hij zijn noviciaat begon, op de leeftijd van 42, op 28 november 1877. Onder de nieuwe naam Rafaël van de Heilige Joseph. Hij deed zijn eerste professie op dezelfde dag van het volgende jaar, en vertrok hierna naar Raad (nu Gyor, Hongarije) voor zijn studie in filosofie en theologie, waar hij ook zijn eeuwige professie deed onder de zegen van de toekomstige Kardinaal Gotti, toen Generaal van de Orde (27 november 1881).

Hij werd terug gezonden naar Polen, naar het enige afgelegen klooster voor Karmelieten welke de Orde open had kunnen houden in Czerna. Daar sloot hij zijn theologie studies af en werd hij tot priester gewijd, door Albin Dunajewski, Bisschop van Krakow, op 15 januari 1882. Onmiddellijk na zijn wijding werd hij aangesteld als novice meester, en in 1883 prior van het klooster van Czerna. Deze taak bleef hij bijna constant vervullen, hoewel hij ook diende als provinciaal counselor, biechtvader en overste van de Ongeschoeide Karmelietessen die vanuit het enige Klooster in Krakow-Wesola, een klooster waar verschillende comunitees bijeen woonden vanwege de onderdrukking, waren overgegaan naar een ander klooster in Karkow-Lobzow, 1875.

Dankzij Pater Rafaëls belangstelling, onderstonden er later andere Teresiaanse Karmel kloosters in Przemysl, 1884 en in Leopoli, 1888. In 1900 werd Kalinowski de Provinciaal Overste van deze kloosters; hij gaf zich onvoorwaardelijk aan de zusters van de Orde, zodat, in de zuivere lijn van de Teresiaanse Karmel traditie, zij het oorspronkelijk gebed van de Kerk konden bewaren, ten goede van de mensen en de gehele wereld.

Toen de laatste Ongeschoeide Karmel broeders van de voormalige kloosters in Berdyczow, Rusland en in Lublin op uitsterven stonden, stichtte pater Rafaël een nieuw klooster in Wadowice, 1892. Hij bouwde er ook een kerk, welke snel uitgroeide tot een actief centrum van spiritualiteit, plus een seminarie voor het bevorderen van roepingen. Daar stond hij waarborg voor een serieuze vorming en trouw aan de Karmel spiritualiteit. Hij stierf een heilige dood op 15 november 1907 in Wadowice, hij werd begraven op de begraafplaats van Czerna, Krakow.

Het geestelijke leven van pater Rafaël werd gekenmerkt door consequentie. Vanaf het moment dat hij zijn roeping tot de Karmel ontdekte, dank zij zijn ascetische voorbereidingen, was hij een vastbesloten en overtuigde Ongeschoeide Karmeliet, een man van God, bezorgd om het constant verenigd met God willen zijn. Tijdgenoten die een beschrijving van hem maken, komen overeen dat hij een ‘levend gebed’ was en hij nooit zijn geloof vergat; “Onze eerste taak in de Karmel is spreken met God, in al onze daden”. Om deze reden wenste hij een verspreiding van de Teresiaanse Karmel in Polen, gebouwd op een solide basis van werkelijk gebed, gevoed en bewaard door gestrengheid, stilte en aanmaning, werkelijkheden die hij zelf als eerste doorleefde.

Een ander element van de Karmel spiritualiteit van welke hij wenste dat zijn leven zou doordringen, en welke hij uitdrukkelijk aanraadde aan de broeders en zusters, was de intimiteit met onze Moeder Maria. Hij vereerde haar en had haar lief als de Moeder en de ‘stichteres’ van de Orde; hij streed ernaar altijd bewust te zijn van haar aanwezigheid en te werken voor haar heerlijkheid. “Voor Karmelieten en Karmelietessen, zei hij, is het eren van de meest Heilige Maagd een prioriteit”. En wij tonen Haar onze liefde door haar daden na te volgen, speciaal haar nederigheid en haar aanmaning tot gebed…..onze ogen moeten altijd op Haar gericht zijn; al onze affecties moeten naar Haar gericht zijn. Wij moeten altijd de gedachte behouden van haar vrucht en streven om altijd trouw te zijn aan Haar. Uitingen van zijn devotie tot Maria zijn twee boekenleggers, met op de één; Maria altijd en in alles, Krakow, 1901, een kinderlijke uitnodiging om alles te doen onder het welziend oog van Maria, en uit liefde voor Haar. En op de andere; De verering van de Moeder Gods in de Poolse Karmel, Leopoli-Warsaw, 1905.

De grote ijver die hij investeerde in het verspreiden van de Derde Orde, als ook de Broederschap van het Scapulier, in Polen en Roemenie, maakte hem een ware apostel van onze Moeder Gods. Hij werd niet moe deze devotie aan te raden zo vaak als hij kon aan zij die bij hem kwamen voor spirituele begeleiding. Hij was een veel bezochte biechtvader, en een wijs man in het vormen van zielen. Mensen kwamen van heinde en verre, getrokken door zijn heiligheid en door zijn voorzichtige en heilige begeleiding. Bereikbaar voor iedereen, had hij de woorden van Paulus genomen voor zijn geestelijke leiding; “Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, (Gal 5,22) En zijn woorden prentte sereniteit en vrede in. Ook bij niet Katholieken, voor wie hij altijd een apostolische interesse had. Zo herinnerde hij aan zijn broeders, dat de Orde in Polen een speciale missie had, om te bidden en te werken voor de eenheid in de Kerk en voor de bekering van Rusland. Dit had hij geleerd van de geschiedenis van de oorspronkelijke missie van de Teresiaanse Karmel in Polen en dat zocht hij te bewerkstelligen door zichzelf op te offeren, zodat er maar één kudde was onder één Herder.

Zoals boven genoemd, genoten de Ongeschoeide Karmelietessen van zijn speciale zorg en aandacht, ook door de taak welke hij opgelegd had gekregen door zijn oversten. Hij kende ze elk persoonlijk, en begeleide ze met zachte gestrengheid in de geest van de Heilige Teresa van Jezus en van de eerste Oversten van de Poolse Karmel. Om deze reden ook, door samenwerking met de zusters, verzamelde en publiceerde hij de geschiedenis van de oude Teresiaanse Kloosters van het land; Kiasztory Karmelitanek Bosych w Polsce, na Litwe i Rusi (Monasteries of the Discalced Carmelite nuns in Poland, Lithuania and Russia, 4 voll., Krakow 1900-1904.

Heilig verklaard door Paus Johannes Paulus II, te Krakow 1991
Zijn feestdag is op 15 november.