Maria Magdalena de Pazzi

augustus 18, 2011 in Heiligen van de Karmel by zrelviramaria

Heilige Maria Magdalena de Pazzi, 1566 – 1607

De H. Maria Magdalena de Pazzi werd 2 april 1566 geboren te Florence.
Haar ouders waren Camillus Gerinus de Pazzi en Maria Laurentia Buon del Monti, beiden zeer achtenswaardige families. De dag erna werd ze gedoopt in de kapel van de Heilige Johannes de Doper, waar alle kinderen van de stad het Sacrament van de doop ontvingen. Haar peter was Pandolfus Strozzi en haar meter Flammetta Minorbetti, die haar de naam Catharina gaven. De zeereerwaarde heer Vincentius Puccini, die eveneens een levensbericht over onze Heilige in het licht heeft gegeven, is zelfs van oordeel, dat die naam niet zonder een beschikking Gods voor haar werd uitgekozen, zo sprekend leek zij in alle opzichten op haar patrones, de grootte Heilige Catharina van Siena.

In haar groeide al vroeg de ijver voor het gebed. Zelfs in die mate dat pater Andreas Rossi sj de biechtvader van haar moeder, haar geschikt oordeelde voor de heilige oefening van overweging. Met dat doel gaf hij haar een meditatieboek over het Lijden van Christus van pater Gaspard Loartes sj. Hij leerde haar daarvan gebruik maken. Vol vreugde daarover stond ze de volgende dag vroeg op om haar meditatie te houden en liet het toen nooit meer na.iedere ochtend een uur aan die heilige oefening te besteden. Voor het bidden gaf ze zo goed mogelijk aan haar kleed een religieuze vorm, trok daarover een scapulier aan en wierp een grote sluier over haar hoofd en ging aldus getooid vol vreugde voor Jezus neerknielen. Ze was dan zo verdiep in gebed, soms zelfs buiten, dat niets haar kon afleiden, noch de insecten, noch de zon, noch de regen. Haar liefde voor het gebed werd zo groot, dat de dag haar te kort was om daaraan te voldoen. De zon was nog niet op of ze lag reeds geknield voor haar Zaligmaker.

Toen Catharina 10 jaar was besloot haar biechtvader pater Andreas Rossi aan haar vurig verlangen gehoor te geven en haar de heilige communie te laten ontvangen. Na de nodige onderrichting bepaalde hij een dag, waarop zij voor het eerst aan dat heilige Gastmaal zou aanzitten. Zij beschouwde zichzelf als het gelukkigste schepsel van de wereld en voortdurend sprak zij over niets anders dan over het genot, dat haar te wachten stond. En eindelijk op 25maart 1576 ontving zij de eerste communie in de kerk van de Jezuïeten, toegewijd aan de heilige apostel Johannes. Op 19 april 1576 was zij, zoals de gewoonte was op Witte Donderdag, naar de paterskerk gegaan en dacht na over de alles overtreffende liefde, aan de mensen getoond door Jezus, om tot het einde der eeuwen in zijn Hoogheilig Altaarsacrament te willen verblijven als voedsel voor hun zielen. Die overweging zette haar hart in vuur en vlam en deed een brandend verlangen in haar opkomen, Hem op haar beurt iets aan te bieden. Ze dacht hier lang over na. En eindelijk overtuigd dat zij Hem geen groter geschenk kon geven dan haar maagdelijkheid. Vanaf toen wijdde zij zichzelf geheel aan Hem toe door de gelofte van eeuwige zuiverheid.

Toen zij 14 was werd haar vader benoemd tot gouverneur van Cortona. Verplicht Florence te verlaten, besloot hij op raad van pater Blanca, rector van het Jezuïeten College, zijn dochter voor haar opvoeding in het klooster van H. Johannes te plaatsen, en hij beval haar bijzonder aan bij moeder Silvagia Morelli. Deze scheiding viel haar moeder zeer zwaar. Maar Catharina zelf was niet zo bedroefd, omdat ze hoopte dat zij zich daar vrijer en vol ijver zou kunnen geven aan het gebed. Pater Blanca eiste wel, toen hij haar in dit huis onderbracht, dat men haar alle feestdagen zou toestaan te communiceren. De religieuzen keurden het goed en die gunst was voor het kind een enorme troost.

Toen Camillus de Pazzi, die maar tijdelijk tot gouverneur van Cortona was aangesteld, door een ander vervangen werd, vestigde hij zich met zijn familie weer in Florence. Nauwelijks had hij zijn woning aldaar betrokken, of ook Catharina kwam terug uit het klooster. Op 16 jarige leeftijd kwam ze erachter dat vader en moeder er ernstig over nadachten haar uit te huwelijken. Als gevolg hiervan nam ze het besluit hun heel openhartig haar voornemens, om religieuze te worden, kenbaar te maken. Maar eerst riep zij de hulp van de hemel in, waarna zij later haar vader als volgt toesprak: Ik mag u niet langer verbergen, dat ik reeds als kind mijn hart geheel aan God heb geschonken en tevens beloofd, mij geheel aan Hem toe te wijden in een klooster. Mochten de plannen die u met mij voorhebt, niet stroken met die gelofte, weet dan dat ik bereid ben, eerder mijn leven te geven, dan er in toe te stemmen een andere Bruidegom te kiezen en zodoende van de religieuze staat af te zien. Haar vader was een godvrezend man en hij wilde zijn dochter geen verdriet doen, daarom zette hij dat hele huwelijksplan uit zijn hoofd. Haar ouders, die uiteindelijk de raad van pater Blanca opvolgden, gaven hun toestemming, op voorwaarde dat hij een klooster uit Florence zou uitkiezen, welke zou beantwoorden aan de smaak van Catharina. Hij gaf aan dat het klooster van de Dominicanessen of dat van OLV van de Engelen, van de Karmelietessen, hem wel geschikt leek voor hun dochter. En na overleg koos Catharina ervoor om in te treden bij de Karmelietessen. Zij deed dit 24 augustus 1582, op 16 jarige leeftijd.

Het gebruik was toen dat postulanten 14 dagen in het klooster zouden verblijven, om te zien of dit leven wel voor hun was. En na deze 14 dagen zou men terug keren naar familie, om, evt. een andere weg in te slaan, of om laatste dingen af te handelen voor men definitief terug zou keren naar het klooster. Catharina werd na 10 dagen postulaat door haar moeder naar huis gehaald. Hier bracht zij drie maanden door, voor zij eindelijk de zegen kreeg van haar ouders om terug te keren naar het klooster. En zo verliet zij haar ouderlijk huis op zaterdag voor de eerste Advent, 1 december 1582. Zij deed haar intrede in tegenwoordigheid van haar moeder en andere familieleden. En eindelijk ontving zij op 30 januari 1583, nog geen 17 jaar oud, het religieuze kleed uit de handen van de zeer eerwaarden heer Augustinus Campi de Pontremoli, de biechtvader van de zusters. Zij kreeg de naam zuster Maria Magdalena.
Nauwelijks in het noviciaat gaf Maria Magdalena blijk van zoveel godsvrucht en deugd, dat niet alleen de novicen maar ook de oudere zusters door haar gesticht werden. De novicemeesters zei eens: Zuster Maria Magdalena is mijn dochter, maar zij zou eigenlijk mijn moeder moeten zijn en ik zou me zelf waarlijk gelukkig achten, door haar geleid te mogen worden op de weg van de religieuze volmaaktheid. Zij legde haar geloften af op 27 mei 1584 op het feest van de Heilige Drievuldigheid.

Maria Magdalena kreeg gedurende haar noviciaat, van 1583 tot 1587, vele geest verrukkingen en sindsdien kwamen deze zoveel voor dat men gerust kan zeggen, dat haar hele religieuze leven een voortdurende extase was. Niet alleen onder haar gebeden en de Heilige Communie stond God haar die gunst toe, maar ook wanneer de gehoorzaamheid haar de eenvoudigste bezigheden deed verrichten. De extases hielden niet alleen uren maar ook soms hele dagen aan. Soms zelfs weken. Gedurende die extases sprak Maria Magdalena zo vlug dat één persoon het niet bij kon houden met schrijven. Daarom stelde men 6 schrijfsters aan. Zo zijn er tal van gesprekken die Maria Magdalena onder geest verrukkingen voerde bewaard gebleven. De Heer verleende Maria Magdalena ook de gave van profetie. En onze Heilige zag wat op een afstand gebeurde zo duidelijk, alsof zij er ooggetuige van was. Daarnaast verleende God haar ook de gave van wonderen. Zij deed die niet alleen in Florence, maar ook te Lucca, te Parma en in verschillende andere plaatsen, zoals later blijkt uit het proces van haar heiligverklaring.

Op dezelfde dag waarop zij het noviciaat verliet werd ze voor de tijd van 3 jaar, met nog een oudere zuster, benoemd tot gastenmeesteres. Aan haar, die dit ambt bekleedden, was de zorg toevertrouwd voor jonge meisjes uit de wereld, die het klooster in kwamen, om zich te beproeven en haar roeping te leren kennen. Na 3 jaar werd ze van dit ambt ontheven en tot ondermeesteres benoemd van de novicen. Op 1 oktober 1592 werd ze met nog twee zusters tot kosteres benoemd. En in 1595 werd ze meesteres van het juvenaat. Op 11 oktober 1598 werd zij door het kapittel met algemene stemmen tot novicemeesteres benoemd. Na 3 jaar werd ze herkozen, waarna ze suppriorin werd. In deze bediening stierf ze.

Maria Magdalena droeg er alle zorg voor, dat ‘haar’ novicen er de gewoonte van maakten het goddelijk officie met liefde te bidden, omdat het één der voornaamste plichten van een religieuze is, welke tevens veel bijdraagt tot de glorie van God. Eveneens spoorde zij haar novicen aan, al haar werken, grote en kleine, in- en uitwendige te verrichten met de zuivere bedoeling, om aan God te behagen en zijn glorie te vergroten. Zij was nl van oordeel dat iemand die dat steeds deed en alles, zelfs zijn minste handelingen, al was het maar een oogopslag, aan God opdroeg, na zijn dood onmiddellijk naar de hemel zou gaan.

Haar innige liefde tot Jezus deed haar vurig verlangen zich met Hem te verenigen. Sinds zij in het klooster was, communiceerde zij in de regel dagelijks, ten minste als ze zich niet verplicht zag medicijnen in te nemen. Wanneer dat echter het geval was, moest ze wel terdege ziek zijn. Men heeft haar dikwijls, als ze door de koorts zo zwak was, dat ze nauwelijks kon staan, toch iedere morgen haar legerstede zien verlaten en zich met de anderen naar de communiebank begeven. Hier hield ze mee op toen het nodig werd haar te dragen. Zij bereidde zich voor tot de Heilige Communie, als zij maar enigszins kon, met alle godsvrucht en nederigheid.

De liefde van onze Heilige voor de naaste kende geen grenzen en boezemde haar de vurigste ijver in voor diens zielenheil. Daarom spande ze graag al haar krachten in zowel naar ziel als lichaam, om hem/haar van dienst te zijn. Indien ik de naaste bemin, dan doe ik dit, omdat God hem naar zijn beeld geschapen heeft, omdat Jezus hem zodanig liefheeft, dat Hij voor hem zijn leven heeft willen geven. Ik benijd het lot van de vogels, die overal heen kunnen vliegen. O! Als ik vleugelen had, gelijk zij, en ik zonder mijn gelofte geweld aan te doen, het klooster kon verlaten, dan vloog ik nog heden weg, naar Indië heen. Daar zou ik dan de kinderen rondom mij verzamelen, om hun onderwijs te geven, om hen Jezus te leren kennen hen Hem hun zielen aan te bieden.

In waarheid kan men getuigen, dat onze Heilige door de beoefening van de deugd van gehoorzaamheid gedurende haar hele leven bijzonder heeft uitgeblonken. Niet alleen was zij gehoorzaam aan God en de Kerk, maar bovendien aan allen, die de Voorzienigheid ook slechts het minst gezag over haar had toegekend. Vol eerbied voor haar leermeesteressen, trachtte zij zelfs aan haar minste verlangens te voldoen. Bij de volmaakte gehoorzaamheid voegde zij zulk een tedere liefde voor de armoede, dat men haar voor een tweede Heilige Franciscus had kunnen houden, wiens geliefde deugd zij in ere herstelde. Men had haar arm celletje eens moeten zien; een strozak, een kruisbeeld en een evangelieboek, anders was er niets te vinden.

Haar zinspreuk was; Niet sterven, maar lijden. Onder een extase, in 1602, mocht zij van God vernemen, dat haar gebed verhoord was. God voldeed ten volle aan haar verlangen en bezocht haar met een langdurige, pijnlijke ziekte, gepaard met volslagen geestelijke dorheid. In 1604 op het feest van de Heilige Johannes de Doper beloofde God haar wederom in een extase, dat zij tot haar dood nimmer zou ophouden met lijden. Acht dagen na de benoeming tot suppriorin, kreeg zij een hevige koorts aanval, zodat zij zich gedwongen zag in bed te gaan liggen. Onophoudelijk namen haar smarten toe en haar leven liep dagelijks meer en meer gevaar. Te midden van haar pijnen sloeg zij haar ogen ten hemel en dankte God innig. Het was alsof een mes door haar borst sneed, een hamer met verdubbelde slagen haar hoofd beukte. Toch gaf ze nooit een enkel teken van ongeduld, toch hoorde men nooit een enkel ongeduldig woord. Na 5 jaren lang het bitterst lijden ten prooi te zijn gevallen, waren al de geneesheren van oordeel dat zij van het Heilige Oliesel voorzien behoorde te worden, daar zij op zijn hoogst nog 2, 3 dagen in leven kon blijven. Zij stierf op 41 jarige leeftijd, op 25 mei 1607, na 25 jaar in het klooster te zijn geweest.

Het proces voor haar zaligverklaring begon in augustus 1611
Zalig verklaard door Paus Urbanus VIII in 1626
Heilige verklaard door Paus Clemens IX op 28 april 1669

Zij is patrones van Florence en Napels.
In november 2004 werd zij door de Zalige Paus Johannes Paulus II als voorbeeld voor de Katholieke Kerk gesteld