Edith Stein

augustus 17, 2011 in Heiligen van de Karmel by zrelviramaria

Heilige Teresa Benedicta van het Kruis (1891-1942) (Edith Stein), Maagd en Martelares, Medepatroon van Europa.
Geboren op 12 oktober 1891: Breslau als jongste kind in een joods gezin, gestorven op 9 augustus: in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau.
Feestdag 9 augustus

Wanneer we foto’s van Edith Stein bekijken, maakt zij een zeer strenge indruk. Dit beeld staat in contrast met het getuigenis van mensen die haar werkelijk goed gekend hebben. Haar geestelijk raadsman, abt Raphael Walzer heeft over Edith Stein gezegd: “Zelden heb ik iemand ontmoet die zoveel en zo voortreffelijke eigenschappen in zich verenigt. Bovendien was zij de eenvoud en bescheidenheid in persoon. Zij was op en top vrouw gebleven met tedere en echt moederlijke gevoelens, zonder nochtans iemand te willen bemoederen. Mystiek begenadigd in de ware zin van het woord miste zij alle schijn van gezochtheid of berekening. In haar omgang met eenvoudige mensen was zij eenvoudig, met de geleerden geleerd zonder de minste arrogantie; met de zoekenden was zij een zoekende, en ik zou er haast aan toevoegen: met zondaars een zondares. “

In dit getuigenis komt zij ons veel dichter bij en is zij één van de onze. Ze wil ons bij de hand nemen en ons tonen hoe we kunnen wandelen in het licht van de Waarheid. De weg naar de waarheid is steeds meer een loslaten, prijsgeven, afdalen in navolging van Diegene die zegt: “Ik ben de waarheid de weg en het leven.”

Om het met de woorden van een groot, hedendaags filosoof, Karl Jaspers, te zeggen: “De waarde van een mens drukt zich niet uit in zijn prestaties, zijn virtuositeit of zijn verstand. Waardevol is een mens, wanneer van hem of haar een reinigende werking uitgaat, wanneer hij of zij een kracht uitstraalt die ons doet groeien. “

Edith Stein straalt deze kracht zeker uit en graag zou ik u willen tonen hoe wij, dankzij haar boodschap kunnen groeien. “Op 12 oktober 1891 werd ik, Edith Stein, dochter van de overleden koopman Siegfried Stein en zijn echtgenote Auguste, geboren Courant, geboren in Breslau. Ik ben Pruisisch staatsburger en jodin”. Met deze woorden begint de levensloop, geschreven door Edith Stein, in het nawoord van haar thesis voor het behalen van de titel van Doctor in de wijsbegeerte. Het zijn geen formele bewoordingen maar een geleefd getuigenis. Als jodin zal ze vermoord worden.

Het was niet alleen “zomaar” een 12de oktober maar in het jaar 1891, was dit Jom Kipoer, de Grote Verzoendag. Zowel voor Edith Stein als voor haar moeder was deze geboortedag van zeer grote symbolische betekenis. De Talmoed zegt: “Jom Kipoer verzoent de overtredingen van de mensen tegenover God; de overtredingen tussen de mens en zijn naaste verzoent Jom Kipoer pas wanneer hij zijn naaste welgevallig heeft gemaakt.” Een vergelijkbare tekst vinden wij terug bij Matteus: “Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden.” (Mt 5;23-24)

Jom Kipoer of Grote Verzoendag is het indrukwekkendste feest in het jodendom. De tien boetedagen die met Rosj Hasjana beginnen en eindigen op Grote Verzoendag zijn een periode van bezinning en omkeer waarmee men zich bij het begin van het nieuwe jaar voorbereidt op de verzoening met God en de medemens. Het is dus zeker niet zó verwonderlijk dat Edith Stein steeds een zeer diepe zin voor het plaatsvervangend offer heeft gehad. Zelf schrijft zij: “De grootste joodse feestdag is de Verzoendag: de dag waarop eens de Hogepriester het Heilige der heiligen binnentrad en het zoenoffer voor zichzelf en heel het volk opdroeg, nadat eerst de ‘zondebok’, waarop alle misdaden van het volk geladen waren, de woestijn was ingedreven. Dit is alles nu niet meer. Doch ook nu nog wordt de dag biddend en vastend doorgebracht en wie nog iets voor zijn Jood-zijn voelt, gaat op die dag naar de ‘tempel’. Op de vooravond moest men het avondeten reeds bij klaarlichte dag gebruiken; als de eerste ster aan de hemel stond begon de dienst in de synagoge. Op deze avond ging mijn moeder niet alleen, maar haar grotere dochters begeleidden haar en ook mijn broers beschouwden het als een ereplicht, niet te ontbreken. De prachtige, oude melodieën lokten zelfs andersdenkenden… Wij, kleineren, gingen naar de plechtigheid voor de gestorvenen; mijn moeder stond daarop, omdat we daarbij aan vader moesten denken. Thuis brandden dan dag en nacht twee grote, dikke kaarsen ter herinnering aan de doden… Voor mij had die dag nog een bijzondere betekenis: ik was op Verzoendag geboren en mijn moeder heeft die dag steeds als mijn geboortedag beschouwd ofschoon de dag voor de gelukwensen en geschenken, 12 oktober was. Zij heeft aan dit feit altijd grote waarde gehecht en ik geloof dat dit meer dan al het andere ertoe heeft bijgedragen om haar jongste kind voor haar bijzonder dierbaar te maken.”

Haar vader sterft als Edith Stein twee jaar oud is en haar moeder neemt niet alleen de opvoeding van zeven kinderen op zich maar ook de leiding van een houthandel. In de ogen van Edith was haar moeder hét voorbeeld van de sterke, zelfbewuste en zelfstandige vrouw. Toch weet moeder Stein haar resultaten te relativeren en ze is er vast van overtuigd dat haar succes niet uitsluitend te wijten is aan haar eigen prestaties maar aan de hulp van God, de God van Abraham, Isaak en Jakob.

Dit weerspiegelt zich ook in het leven van Edith Stein: al onze culturele en intellectuele prestaties zullen ons niets menselijker maken, wanneer wij daarbij de dialoog met God vergeten, een uiterst dringende boodschap aan onze hedendaagse ellebogenmaatschappij. Reeds in haar prille kinderjaren is het duidelijk dat Edith ver boven het normale begaafd is en ze is er zich van bewust! Ze voelt zich superieur t.o.v. anderen en werkt ook dominerend. Deze niet zo fraaie eigenschappen worden wel gecompenseerd door een enorme werkkracht en inzet.

Op de leeftijd van 15 jaar komt ze in een “puberteitscrisis” en wil ze niet meer studeren. In Hamburg gaat ze haar zus helpen in het huishouden. In deze familie (grootstad!) wordt er niet meer gebeden en ook Edith geeft bewust het bidden op. Maar ze zal deze crisis overleven en keert terug naar Breslau en de studie. Wat haar ontgoocheld had in Hamburg was de burgerlijke bekrompenheid. Reeds hier ziet men haar drang naar waarheid. In deze bekrompenheid kon de waarheid niet te vinden zijn. Spijtig genoeg had de agressie tegen de kleinburgerlijkheid zich eveneens gericht tegen de religie en in haar jeugdige overmoed had Edith Stein hiermee drastisch alles over boord gegooid. Het zoeken naar de waarheid komt nu volledig op de voorgrond te staan: Wat is de mens? Wat is persoon? Wat is de ziel? Aanvankelijk zal zij naar een antwoord zoeken in de psychologie, toen een zeer jonge wetenschap om dan zich meer en meer naar de filosofie te wenden en meer bepaald de fenomenologie.

Onder leiding van Edmund Husserl was er namelijk in Göttingen een nieuwe filosofische school ontstaan. De slogan van Husserl en hiermee ook van de fenomenologen was: “Zu den Sachen selbst!” – naar de dingen, naar de zaken zelf. In deze benadering werd alle aandacht gewijd aan een nauwkeurige beschrijving van het fenomeen. Deze zeer nauwkeurige benadering, met methoden uit de exacte wetenschappen, sprak de kritische geest van Edith Stein sterk aan en daarom verliet zij Breslau om in Göttingen, bij Edmund Husserl, filosofie te gaan studeren. In Göttingen zal ze leren het leven niet alleen te beoordelen met het verstand maar ook in een existentiële overgave. Dit gaat gepaard met een belangrijke innerlijke strijd op een ogenblik in haar leven waarop er ook van haar op intellectueel vlak zeer veel verlangd wordt. Zij bereidt zich voor op het staatsexamen en begint gelijktijdig aan haar doctoraatsthesis. Zij schrijft in haar autobiografie: “Langzaam groeide in mij een echte vertwijfeling. Het was de eerste keer in mijn leven, dat ik voor een opgave stond die ik met mijn wil niet kon bedwingen. Zonder dat ik het wist hadden de kernspreuken van mijn moeder: “Wat men wil, dat kan men” en “Zoals men zich iets voorneemt, zo helpt ons God”, zich diep in mij geprent. Vaker had ik mij er op beroemd dat mijn kop harder was dan de dikste muur en nu stiet ik mijn kop kapot en wilde de onverbiddelijke muur niet wijken. Dat ging zo ver, dat het leven mij ondraaglijk scheen. Ik zei vaak tot mezelf dat het dwaas was. Als ik de doctoraatsthesis niet klaar kreeg, zou het toch zeker voldoende zijn voor het staatsexamen; en als ik geen grote filosofe kon worden, dan toch zeker nog wel een bruikbare lerares. Maar al die verstandelijke redenen hielpen niets. Ik kon niet meer over straat gaan zonder te wensen dat ik door een wagen zou overreden worden. Wanneer ik een tocht maakte, hoopte ik dat ik naar beneden zou storten en niet meer levend terugkomen. Niemand vermoedde waarschijnlijk, hoe het er in mijn binneste uitzag. In de filosofische kring en op Reinachs werkcollege was ik gelukkig bij de gemeenschappelijke arbeid ik vreesde alleen het einde van deze uren, waarin ik mij geborgen voelde, en het herbeginnen van de eenzame strijd “

Deze Adolf Reinach, medewerker van Husserl zal op Edith Stein een grote invloed uitoefenen. Reinach was eveneens jood maar in 1914 had hij zich, samen met zijn vrouw protestants laten dopen. Reinach was een gekend folosoof uit de school van Husserl, briliant en gewaardeerd door zijn studenten, maar toch voelde Edith aan hoe hij vanuit een andere bron leefde. In de Eerste Wereldoorlog werd hij aan het front geroepen en vandaaruit schreef hij aan Edith Stein dat hij zich voortaan niet meer wou bezighouden met filosoferen maar wel met voor mensen de weg te banen naar het geloof. Het echtpaar Reinach, Reinachs zuster Pauline, de fenomenoloog Max Scheler zijn mensen die de mening zijn dat alleen de godsdienst de mens tot mens maakt. Edith Stein kijkt bewonderend naar hen op: niet meer de wetenschap staat op de voorgrond maar de mens als geheel.

In 1917 sneuvelt Adolf Reinach. Edith Stein gaat de weduwe Anna Reinach helpen bij het classificeren van de nagelaten werken. Edith Stein moet vaststellen dat Anna Reinach opkijkend naar het Kruis, haar eigen kruis kan aanvaarden. Later zal ze hierover vertellen: “Het was mijn eerste ontmoeting met het Kruis en de kracht die ervan uitgaat voor diegenen die het Kruis aanvaarden. Het was het ogenblik waarop mijn ongeloof instortte, het jodendom verbleekte en Christus stralend opging Christus in het geheim van het Kruis.” Tot zover dit citaat opgeschreven door haar novicemeesteres en eerste biografe Teresia Renate Posselt. Hierin erkende Edith het verschil tussen een theoretisch analyseren van een religieus fenomeen, zoals ze het in haar thesis nog vermeld had en het gewaar worden van een transcendente wereld.

Na deze ervaring begint Edith Stein het Nieuwe Testament (1917!) te lezen. Maar de doorbraak is er nog niet. Inzicht en overgave strijden nog tegen elkaar. Maar het haast ongemerkt omgevormd worden gaat verder. In 1917 promoveert zij ‘summa cum laude’ tot doctor in de filosofie op de thesis: “Zum Problem der Einfühlung – Das Einfühlungsproblem in seiner historischen Entwicklung und in phanomenologischer Betrachtung”.

Zowel op wetenschappelijk vlak als in haar privéleven kent zij heel wat ontgoochelingen. Ze is haar zeer vereerde leermeester Husserl gevolgd naar Freiburg maar de samenwerking vlot niet. Haar pogingen te habiliteren, het recht om te doceren aan een universiteit, mislukken omdat de tijd niet rijp is om een vrouw te aanvaarden op een leerstoel filosofie maar eveneens en in toenemende mate omdat ze jodin is. Haar diepe genegenheid voor Hans Lipps wordt niet beantwoord. Enkele jaren later zal hij haar wel ten huwelijk vragen maar dan heeft zij reeds een andere keuze gemaakt. Maar wat vanuit ons menselijk standpunt, op een bepaald ogenblik als tegenspoed ervaren wordt, kan ook het inwerken zijn van Gods genade. Niet zelden doorkruist God onze menselijke plannen en vervult onze dromen op een andere wijze. In “Endliches und ewiges Sein” schrijft Edith Stein later: “Het redenerend vermogen vormt scherpe begrippen, maar ook zij vermogen de Ongrijpbare niet te grijpen; zij verwijderen Hem zelfs naar de verte, die alle begrippen eigen is. De weg van het geloof schenkt ons veel beter dan de wijsbegeerte de God van de persoonlijke nabijheid de liefdevolle en goedertieren God. Daarbij heeft het geloof een zekerheid zoals geen enkele natuurlijke kennis die bezit. Toch blijft de weg van het geloof een duistere weg. De denker die de maatstaf van de natuurlijke kennis aanlegt, schrikt steeds terug voor de sprong over de afgrond. De gelovige springt er gemakkelijk over, de ongelovige blijft er voor staan.” Ook voor haar blijft aanvankelijk nog de schrik bestaan voor deze sprong of beter de stap van inzicht naar overgave.

Het uur der genade komt voor Edith Stein in de zomer van 1921 in Bergzabern. Edith Stein is er te gast bij het bevriend filosofenechtpaar Conrad-Martius. Op een avond heeft zij de thuiswacht. Zij schrijft: “Op goed geluk pakte ik een dik boek. Het droeg de titel ‘Leven van de Heilige Teresia van Avila, door haarzelf beschreven’. Ik begon te lezen, was meteen geboeid en hield niet op voordat ik het uit had. Toen ik het boek sloot zei ik tot mezelf: “Dat is de waarheid!” In het levensverhaal van Edith Stein komt deze weg duidelijk naar voor: eerst wordt een diepere dimensie ontsloten op het vlak van het denken, vervolgens zijn er levensechte ontmoetingen, tenslotte weet zij dat zijzelf aangesproken wordt en uitgenodigd. Deze weg kan duidelijk aangetoond worden en het is haar groei naar geestelijke grootheid maar méér nog: in deze weg laat God zich als God zien! Hartstochtelijke liefde voor de waarheid sluit inzet voor de medemens in. De weg naar God gaat via de medemens. Door contact met de medemens komt Edith Stein ook in contact met de Schrift. De wijze waarop de Schrift in het leven van Teresa van Avila gestalte krijgt laat dan het antwoord van Edith Stein op Gods uitnodiging rijpen en vorm krijgen.

Op 1 januari 1922 wordt ze in Bergzabern gedoopt op de namen Edith, Teresia en Hedwig. Op het feest van Maria Lichtmis 2 februari 1922 ontvangt zij in Speyer het vormsel. Prelaat Schwind van Speyer zal ervoor zorgen dat Edith Stein zich verder kan verdiepen en inleven in het katholiek geloof door haar een plaats te bezorgen aan het St. Magdalena Lyceum en het daarmee verbonden instituut voor de opleiding van onderwijzeressen. Tussen filosoferen en geloven ligt er een kloof, die onoverbrugbaar kan lijken maar vanuit het geloof gezien is dit niet waar. Aanvankelijk heeft Edith Stein dit inderdaad als een kloof ervaren: na haar doopsel concentreert zij zich volledig op de consequenties hiervan: gebed en meditatie. Maar toenemend beseft zij dat men wetenschap ook als godsdienst kan bedrijven. Vanaf dat ogenblik zal zij ook weer aan publicaties werken en voornamelijk talrijke voordrachtreizen ondernemen. Zij ziet af van een academische loopbaan, concentreert zich op haar geloofsleven maar vanuit een gans andere instelling en motivatie herstart zij haar wetenschappelijk werk. Wij vinden bij Edith Stein steeds een kordate bereidwilligheid om achter te laten, te verliezen en prijs te geven maar om in het verder verloop tot een nieuwe synthese te komen.

Vanaf haar vormsel was prelaat Schwindt uit Speyer haar geestelijk leidsman. In 1927 overlijdt hij plots en onverwacht. Pasen 1928 viert Edith Stein samen met de Benedictijnen in de aartsabdij Beuron. Aartsabt Raphael Walzer zal voortaan haar geestelijk leidsman worden. Raphael Walzer was met nog geen volle dertig jaar aartsabt geworden. In 1928 was hij met zijn veertig jaar net drie jaar ouder dan Edith Stein. Hij zag zijn taak als geestelijk leidsman niet als bijzonder moeilijk, integendeel het was een oogsten van wat andere op spiritueel vlak gezaaid hadden en verder door haarzelf verwerkt was. Abt Walzer was overtuigd dat Edith haar talenten niet alleen in dienst moest stellen van de wetenschap maar ook van de vrouw in de kerk en de maatschappij. Edith ging hierop in en verschoof hiermee haar intrede in de Karmel voor onbepaalde tijd. Lezingen en reizen namen toe: Freiburg, Munchen, Keulen, Munster, Heidelberg, Ludwigshafen, Augsburg, Bensdorf, Aken, Zurich, Wenen, Praag, Basel, Parijs-Juvesy en Salzburg. Haar dagelijkse ervaring als lerares doen haar ook inzien dat er heel wat mank loopt in verband met het opvoedkundig systeem van die tijd, voornamelijk ten opzichte van de vrouw. De inzet voor de rol van de vrouw in kerk en maatschappij zal één van haar prioriteiten worden.

In een voordracht die Edith Stein gehouden heeft op 8-11-1930 voor het onderwijzend personeel van de Duitse katholieke vrouwenbond, zegt zij het volgende: (ESW V, 122) “Ons geheel opvoedingswezen verkeert reeds tientallen jaren in een crisistoestand. Er werd en wordt om hervormingen geroepen en aan alle hoeken en kanten hééft men hervormd. Ofschoon uit het chaotisch geharrewar van richtingen enkele grote lijnen te halen zijn, krijgt men toch het gevoel, dat het nog geenszins gaat om een rustige, hecht gefundeerde ontwikkeling, maar om voorbereidende experimenten. De vorming van de vrouw deelt in de algemene crisis en heeft bovendien haar eigen speciale problemen en moeilijkheden…

De ‘oude school’ is in wezen een kind van de Verlichting. Het vormingsideaal dat daar voor ogen stond, was een zo volledig mogelijk encyclopedisch weten; men begon met de ziel als tabula rasa te beschouwen, waarop door verstandelijke opneming en geheugenwerk zoveel mogelijk ‘geschreven’ moest worden.” Ze vervolgt: “Vorming is niet een uiterlijk bezit van kennis, maar de gestalte die de menselijke persoonlijkheid aanneemt door de inwerking van velerlei vreemde krachten, resp. het proces van deze vorming. Het materiaal dat gevormd moet worden is, eerst en vooral, de aanleg van ziel en lichaam, welke de mens meebrengt op de wereld, en dan het geheel der opbouwstoffen, die bestendig van buiten opgenomen en in het organisme moeten worden ingelijfd. Het lichaam ontneemt ze aan de materiële wereld de ziel aan haar geestelijke omgeving, aan de wereld van personen en goederen, welke voor háár voeding bestemd zijn. De eerste en fundamentele vorming komt altijd van binnen uit.”

Vorming heeft dus meer te doen met een rijping tot een eigen gestalte. Zo is de “innerlijke vorm” van de vrouw de aanzet en het doel van de specifieke vorming van de vrouw, die alleen op grond daarvan – afgezien van alles wat zij met de man gemeenschappelijk heeft – gescheiden dient te worden van de specifieke vorming van de man. In vele van haar voordrachten is er een verwijzing naar de openbaring. Voor haar was het licht van de openbaring het beslissende licht. Ze leefde hiernaar en wou ik ook anderen de toegang geven tot dit beslissende licht. Dit werd niet altijd door haar toehoorders aanvaard. We weten dit uit commentaren op haar voordrachten.

Vermits we ons in de advent bevinden zou ik ook willen verwijzen naar een andere voordracht uit dezelfde periode, januari 1931: “Het Kerstmysterie”. Ze beschrijft hoe het goddelijk kind in de kribbe de handjes uitstrekt naar ons en deze handjes genadegevend zijn: “Deze handen geven en eisen terzelfdertijd: Gij, wijzen legt uw wijsheid neer, en wordt eenvoudig als de kinderen; Gij, koningen schenk uw kronen en schatten en buig deemoedig voor de Koning der koningen; neem zonder aarzelen moeite en lijden en klachten op u, die zijn dienst verlangen. Gij, kinderen die nog niet in staat zijt iets te geven, uw teder leven wordt genomen door de beul nog voor het begonnen was. Het kan niet beter besteed worden als opgeofferd te worden voor de Heer des levens.” Deze uitgestrekte handen van het goddelijk kind vragen maar één ding maar dan ook in een onvoorwaardelijke inzet: Navolging. Deze navolging is geen ter plaatse trappelen in een sentimentele sfeer van kerstmis maar gaat naar Golgotha. In 1930-1931 verwijst Edith Stein reeds naar een fenomeen dat ook in onze tijd zeer actueel is. Het Kerstmysterie zoals het voorgesteld wordt door Edith Stein is zeker niet zacht en zoeterig en nog minder vrijblijvend. Het stelt ons voor de beslissende keuze tussen Licht en Duisternis.

Velen die haar gehoord hebben en haar werken gelezen hebben, moedigen haar aan een nieuwe poging te ondernemen tot habilitatie, het recht om aan een universiteit te doceren. Hiervoor zal ze Speyer verlaten en een plaats aanvaarden in Munster. Ze kan echter nog geen volledig jaar aan het Hoger Pedagogisch Instituut les geven want 1933 wordt Hitler rijkskanselier. De ariërparagraaf verbiedt Edith Stein nog verder les te geven of in het openbaar op te treden.

Op 30 april 1933, de zondag van de Goede Herder of roepingen zondag, gaat zij in Munster in de Ludgerikirche en tijdens de aanbidding vraagt zij God om duidelijkheid wat haar eigen roeping betreft. Bij de slotzegen was zij overtuigd van het ja woord van de Goede Herder. 14 oktober 1933 wordt zij opgenomen in de Karmel van Keulen. Als kloosternaam kiest zij Teresa Benedicta a Cruce. Twee aspecten zijn hierin belangrijk: Teresa, uiteraard verwijzend naar Teresa van Avila, en het Kruis. Het leven en het werk van Teresa van Avila en Edith Stein zijn zeer sterk met elkaar vervlochten. Het tweede aspect van haar kloosternaam is het Kruis. Wat zegt Edith Stein zelf over de keuze van haar kloosternaam? In een brief van 9-12-1938 (dus na de Reichskristalnacht) schrijft zij aan Zuster Petra Bruning in Dorsten: “Ik moet U zeggen dat ik mijn kloosternaam reeds als postulante mee in het huis gebracht heb. Ik kreeg de naam zoals ik er om gevraagd had Onder het Kruis verstond ik het noodlot van het Volk Gods, dat zich toen al begon aan te kondigen. Ik dacht, dat voor diegenen die het konden verstaan, dat het kruis van Christus was en dat zij het op zich moesten nemen in naam van allen. Zeker weet ik nu beter wat het betekent de bruid van de Heer te zijn in het teken van het Kruis. Begrijpen zal men het nooit want het is een geheim.” Edith Stein verwijst naar het noodlot van het “volk Gods”. Naarmate de situatie van het joodse volk steeds benarder werd, groeide bij Edith Stein ook het gevoel van solidariteit met haar volk – het uitverkoren volk, waarmee God een verbond gesloten had en God heeft dit verbond nooit opgezegd.

Zeer mooi zal zij de betekenis van het kruis uitwerken in haar laatste, onvoltooid gebleven werk: Kreuzeswissenschaft of De wetenschap van het Kruis. Het is niet alleen een studie over Sint Jan van het Kruis maar ook een behoedzame en heldere, eerlijke en overtuigende benadering van het geheim van het Kruis – het Kruis van Christus, van de schepping, van iedere God zoekende mensenziel. Dit werk wijst naar een bewuste en beleefde zin van het vaak als zinloos ervaren menselijk lijden. Daarom blijft de ‘wetenschap van het Kruis’ actueel. Zij is een hoopvolle wetenschap: “Hoe volmaakter de actieve en passieve kruisiging zal zijn, des te inniger zal de vereniging met de Gekruisigde zijn en des te rijker het aandeel in het goddelijk leven.”

Toch moeten we ook de kritiek ernstig nemen van mensen, die beweren dat Edith Stein het klooster binnen gevlucht was om aan de jodenvervolging te ontsnappen. Niets is minder waar. Een vriendin die Edith Stein kwam bezoeken, bracht te berde dat zij hier in de Karmel toch wel goed geborgen zou zijn. Onmiddellijk antwoordde Edith Stein: “Neen, dat denk ik niet. Men zal mij hier vast en zeker uithalen. Ik zal er in geen geval kunnen op rekenen, hier met rust gelaten te worden.” Op 15 april 1934 is het inkledingsfeest. Nooit waren er zoveel voorname gasten in de Karmel van Köln-Lindenthal, het leek wel op een filosofencongres. Edmund Husserl had bruidsvader kunnen zijn, hij stuurde een telegram maar kwam niet. Later had hij er spijt van. Alleen de eigen familie van Edith was niet op het feest. De homilie werd gehouden door haar geestelijk raadsman aartsabt Rafael Walzer, hoofdcelebrant was de provinciaal van de Beierse provincie van de ongeschoeide karmel Theodor Rauch OCD. Een belangrijk getuige aangaande haar roeping voor de Karmel is haar geestelijk leidsman Abt Raphael Walzer, die haar werkelijk begeleid heeft vanaf Pasen 1928 tot bij haar inkleding. Zijn getuigenis: “Wanneer men iemand in de ware zin van het woord als intellectueel wil bestempelen, dan is het wel Edith Stein. Zijzelf zou het als hoogmoed bestempelen, zichzelf tot deze klasse te rekenen. De grote Teresia kent maar één klasse van zusters, die gewoonlijk met niet meer dan 21, onder gelijke omstandigheden samenleven. Edith had zich het kleine klooster in Keulen zeker niet uitgezocht in de hoop er een priorin te vinden met een academische opleiding of zich in een kring van zulke zusters te kunnen bewegen. Zo ver mij bekend was zij de enige met een academische titel. Of zij verder wetenschappelijk werk zou mogen doen, of men er haar zou toe aanzetten of zelfs onder de gelofte van de gehoorzaamheid er haar toe verplichten, waren allemaal punten waar zij helemaal geen aandacht aan besteedde. Men kan zich moeilijk voorstellen wat dit alles betekende voor een geest die werkelijk naar kennis en wetenschap hongerde. En inderdaad, het dagelijks samenleven in een streng slotklooster, ruimtelijk ook beperkt midden in de stam leek me zelfs voor een heroïsch aangelegde natuur zoals die van Edith Stein, een zeer gewaagde onderneming. Maar ik vergiste mij volledig. Bij het inkledingsfeest (1934) had ik de mogelijkheid haar onder vier ogen te spreken – voor de laatste keer. Ik vroeg haar direct en zelfs ondiplomatisch te antwoorden op de vraag hoe zij zich had kunnen inleven in de gemeenschap van haar medezusters. Wat ik verwacht had werd mij bevestigd. Met de voor haar zo eigen levendigheid en vurige natuur gaf zij mij ten antwoord dat ze zich volledig thuis voelde naar hart en ziel. Het leek mij het resultaat te zijn van een natuurlijke ontwikkeling binnen een bovennatuurlijk groei tot volwassenheid “.

Mede dankzij Abt Walzer en de provinciaal van de Karmel, Theodor Rauch, zal Edith Stein de mogelijkheid krijgen in de Karmel verder te werken aan haar filosofisch werk. In de Karmel van Keulen komt haar belangrijkste filosofisch werk tot stand “Endliches und ewiges Sein”. In een vergaande verdieping betrekt Edith Stein nu in haar filosofie ook de geopenbaarde waarheid. Het wordt een synthese van de fenomenologie en de thomistische wijsbegeerte. Zijzelf zegt in Endliches und ewiges Sein: “Er is een Zijn, dat voor de natuurlijke ervaring en voor het verstand ontoegankelijk is, dat ons door de openbaring bekend gemaakt wordt en de geest die het opneemt voor nieuwe opgaven stelt.”

Op 14 september 1936 overleed moeder Stein op 87-jarige leeftijd aan maagkanker. Zij sterft op het feest van Kruisverheffing, net op het ogenblik waar, naar jaarlijks gebruik, de kloostergeloften hernieuwd worden. In een brief van 4 oktober 1936 aan Zuster Callista in Speyer schrijft Edith: “Mijn moeder heeft tot op het laatste vast gehouden aan haar geloof. Maar vermits haar geloof en het vast vertrouwen in haar God stand gehouden hebben van in haar vroegste kinderjaren tot op de leeftijd van 87 jaar en dit het het laatste was dat in haar zware doodsstrijd in haar levendig bleef, daarom heb ik het vast vertrouwen dat zij een genadige rechter gevonden heeft en zij nu mijn trouwste helpster is zodat ook ik het doel kan bereiken.” In deze brief ziet men duidelijk dat er voor Edith geen breuk is tussen jodendom en christendom. Voor haar is Christus de vervulling van het joods geloof. Zus Rosa die haar moeder tot op het laatst verzorgd had en ook het enige contact was tussen Edith en haar moeder, komt naar Keulen en wordt op kerstavond 1936 eveneens katholiek gedoopt. Edith Steins innerlijke rust en geborgenheid in God moeten het al gauw opnemen tegen de stroomversnellingen van de uiterlijke ontwikkelingen.

In de nacht van 9 op 10 november1938 staat de wereld in brand: de Reichskristallnacht: vele joden worden vermoord, bijna alle synagogen worden plat gebrand.

Edith Stein wenst de Karmel in Keulen niet door haar aanwezigheid in gevaar te brengen. Oudejaarsavond 1938 wordt zij door Dr. Paul Strerath, volledig wettelijk over de Duits-Nederlandse grens naar Echt gebracht. In Echt wordt zij door haar medezussen ervaren als een eenvoudig, wijs iemand, rustig en zusterlijk, als iemand in wie de eenvoud en de verhevenheid van het karmelleven gestalte hebben aangenomen. Gods geheim in haar innerlijk bleef geheim, maar haar leven getuigde ervan. In Echt schrijft zij naar aanleiding van de 400ste verjaardag van St Jan van het Kruis het reeds vernoemde werk Kreuzeswissenschaft. Het werk, “Kreuzeswissenschaft”, blijft onvoltooid. Nadat Edith op ontroerende wijze de dood van de grote kruisminnaar, haar geestelijke vader Johannes van het Kruis, heeft weergegeven, breekt het manuscript af.

Op 11 juli 1942 protesteren de Nederlandse kerken in een telegram tegen de jodenvervolging. Op 20 juli volgt een herderlijk schrijven van de Nederlandse bisschoppen waarin het telegram wordt opgenomen. Dit herderlijk schrijven wordt op 26 juli in alle katholieke kerken voorgelezen. Het telegram had tot gevolg dat de Duitsers de toezegging deden, dat de christenjoden niet weggevoerd zouden worden, voor zover zij vóór januari 1941 tot één der christelijke kerken behoorden. Het voorlezen van het herderlijk schrijven had tot gevolg dat de bezettende macht de katholieke joden zou wegvoeren als eerste en wel zo spoedig mogelijk.

Op zondag 2 augustus 1942 werden over heel Nederland de katholieke joden gevangen genomen, zo ook Edith Stein en haar zus Rosa. Edith Stein weet wat haar te wachten staat en haar laatste woorden, welke opgeschreven zijn, waren gericht aan haar zus: “Kom, laat ons gaan voor ons volk”. Via Roermond gaat de weg naar Amersfoort en verder via Hooghalen naar Westerbork. Vroeg in de morgen van de 7de augustus gaat de stoet te voet van Westerbork naar Hooghalen en vandaar per trein verder. Zondag 9 augustus kwam het transport in Auschwitz aan. Allen werden meteen vergast; volgens lijst 34 van het ministerie van justitie ook nummer 44074, Edith Teresia Hedwig Stein en nummer 44075, Rosa Maria Agnes Adelheid Stein.

2 1/2 miljoen mensen zullen in Auschwitz hetzelfde lot ondergaan en 1/2 miljoen sterft aan honger en ontbering. In haar voornaamste werk “Endliches und ewiges Sein” schrijft Edith Stein: “Wat niet in mijn plan lag, heeft in het plan van God gelegen. En hoe vaker mij zoiets overkomt, des te levendiger wordt mijn overtuiging, dat er van God uit gezien geen toeval bestaat, maar dat heel mijn leven tot in alle bijzonderheden in het plan van de goddelijke Voorzienigheid is uitgestippeld en dat het voor Gods alziend oog een zinvol samenhangend geheel is. Dan begin ik mij te verheugen op het licht der glorie, waarin deze zinvolle samenhang ook voor mij ontsluierd moet worden.”

1891
12 oktober: geboren in Breslau; jongste kind in een joods gezin.
Vader: Siegfried Stein, 1843 – 1893.
Moeder: Auguste Courant, 1843 – 1936.

1897
12 oktober: begin van de schooltijd, Victoriaschool te Breslau.

1906
Onderbreking van het schoolbezoek. Verlies van haar geloof.

1908-1911
Lyceumopleiding aan de Victoriaschool te Breslau.

1911-1913
Studie van geschiedenis, germanistiek en psychologie aan de universiteit van Breslau.

1913-1915
Studie van filosofie, geschiedenis en germanistiek aan de universiteit van Breslau.

1915
14 en 15 januari: staatsexamen met lof voor onderwijsbevoegdheid in Duits en geschiedenis en propaedeuse filosofie. Van 7 april tot 1 september vrijwillig in dienst van het Rode Kruis.

1916
Van februari tot juli als lerares verbonden aan het lyceum te Breslau. 3 augustus: promotie in de filosofie bij professor Husserl in Freiburg, ‘summa cum laude’.

1916-1918
Assistente bij Husserl in Freiburg. Eigen filosofisch werk.

1918-1923
Wetenschappelijk werk. Vergeefse pogingen zich te rehabiliteren.

1921
Ervaring van de waarheid in Christus bij het lezen van het levensverhaal van Teresia van Avila..

1922
1 januari: doop en opname in de katholieke kerk in Bergzabern en eerste heilige communie.
2 februari: Vormsel te Speyer.

1923-1931
Lerares aan het St.-Magdalena-lyceum en het daarmee verbonden instituut voor de opleiding van onderwijzeressen in Speyer. Vertalingen.

1928-1932
Spreekbeurten in binnen- en buitenland. Weer vergeefse pogingen zich te rehabiliteren.

1932-1933
Docente aan het Duitse Instituut voor Wetenschappelijke Pedagogie in Münster.

1933
Verbod om te doceren door de NSDAP.
Brief aan paus Pius XI met de vraag om een encycliek tegen de jodenvervolging.
14 oktober: intrede in de Karmel te Keulen.

1933-1942
Litteraire, filosofische en hagiografische werken.

1934
15 april: inkleding als zuster Teresia Benedicta a Cruce.

1935
21 april: tijdelijke geloften voor drie jaar.

1936
14 september: moeder Stein sterft.
Rosa wordt katholiek.

1938
21 april: eeuwige geloften.
1 mei: sluierfeest.
31 december: afscheid van de karmel van Keulen en aankomst in de karmel van Echt.

1941
5 oktober: melding bij de Duitse politie in Maastricht.

1942
2 augustus: gevangenneming in Echt en internering in Amersfoort; in de nacht van 3 op 4 augustus naar Westerbork.

7 augustus: transport naar Auschwitz.

9 augustus: dood in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau.